Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/4.6
4.6 Bewijsrechtelijk belang
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491177:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 april 1919, ECLI:NL:HR:1919:55 (Heerlijk jachtrecht van Loon op Zand).
J. van Mourik 2018, p. 5-8; Ketelaar 1978, p. 103 e.v.; De Blécourt/Fischer 1967/161 e.v.
Staatsregeling voor het Bataafsche Volk. Art. 27 Burgerlijke en staatkundige grondregels: ‘Alle Burgers hebben, ten alle tijde, het regt, om, met uitsluiting van anderen, op hunnen eigen, of gebruikten, grond te Jagen, te Vogelen en te Visschen. (…).’ Zie daarover: J. van Mourik 2018, p. 6; Ketelaar 1978, p. 16 e.v. (vooral p. 30-34).
Besluit, van den 26sten Maart 1814, no. 20, houdende provisionele bepalingen wegens de toekomstige uitoefening der voormalige Heerlijke Regten, Stb. 1814, 46. Art. 3: ‘De regten van jagt, visscherij, vogelarij, nakoop, pondgeld, veeren en soortgelijken, zullen, op den voet bij het voorgaande artikel bepaald, door de eigenaren der heerlijkheden worden behouden, onder speciale onderwerping echter van alle dezelve regten aan zoodanige modificatiën en reglementaire bepalingen als Wij vermeenen zullen, omtrent eenige daarvan, of omtrent alles, te moeten vaststellen; te welken aanzien Wij Ons alle mogelijke ruimte voorbehouden.’ Zie daarover: J. van Mourik 2018, p. 6; Ketelaar 1978, p. 56 e.v.
Wet van den 2den Juli 1923, houdende bepalingen betreffende de jacht, Stb. 1923, 331. Art. 70: ‘Alle jachtrechten zijn opgeheven. Jachtrechten kunnen niet meer worden gevestigd.’ Zie daarover: J. van Mourik 2018, p. 7; Ketelaar 1978, p. 103 e.v.
Zie daarover: J. van Mourik 2018 (met veel verwijzingen naar andere literatuur); Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/61.
Zie ook: HR (strafkamer) 26 april 1920, ECLI:NL:HR:1920:170(Heerlijk jachtrecht van Loon op Zand); hof ’s-Hertogenbosch 1 maart 1921, W 10710 (Van Dommelen/Huijsmans). Zie verder over het karakter van het jachtrecht na het herstel in 1814: HR 13 november 1914, ECLI:NL:HR:1914:27 (Kieft/Otjes); HR 28 maart 1890, W 5858; Ketelaar 1978, p. 133 e.v.
P. Scholten, annotatie onder HR 20 februari 1931, ECLI:NL:HR:1931:352, NJ 1931, p. 1563(Vischrecht heerlijkheid Lekkerkerk).
Nap 1902, p. 520.
48. In het voorgaande ging het steeds om de vraag of extra bevoegdheden ontleend kunnen worden aan een beperkt recht op een eigen zaak. Dat is het criterium aan de hand waarvan vastgesteld kan worden of een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben. Er zou daarvoor ook een ander criterium gebruikt kunnen worden. Dat was aan de orde in een arrest van 25 april 1919.1 In die uitspraak heeft de Hoge Raad aangenomen dat een eigenaar een heerlijk jachtrecht op zijn eigen zaak kan hebben, omdat hij daarbij een bewijsrechtelijk belang heeft. Het heerlijk jachtrecht gaf de rechthebbende het recht te jagen op de gronden van een heerlijkheid.2 Bij de Staatsregeling van 1798 is het heerlijk jachtrecht afgeschaft.3 Het heerlijk jachtrecht is hersteld bij soeverein besluit van 26 maart 1814.4 Bij de Jachtwet 1923 is het heerlijk jachtrecht wederom afgeschaft.5 Tegenwoordig is het recht om te jagen geen zakelijk recht meer; het is geregeld in de Wet natuurbescherming.6
Het arrest ging over het herstel van het heerlijk jachtrecht van Loon op Zand in 1814. Vraag was, of het jachtrecht ook was hersteld op de gronden die op het moment van dat herstel, eigendom waren van de rechthebbende van het jachtrecht. Kreeg de eigenaar met andere woorden een jachtrecht op zijn eigen grond? Het antwoord op die vraag was van belang voor de gronden die na het herstel aan derden waren overgedragen, zonder dat daarbij iets was bepaald over het jachtrecht. Was het jachtrecht achtergebleven bij de vervreemder?
De Hoge Raad overweegt dat het heerlijk jachtrecht in Brabant het karakter had van ‘een van den grondeigendom afgescheiden afzonderlijk en zelfstandig recht van den Heer eener Heerlijkheid, om als zoodanig binnen de grenzen daarvan te mogen jagen op alle terreinen, onverschillig of zij hem zelf dan wel aan anderen in eigendom toebehoorden’. Volgens het soeverein besluit is het jachtrecht in beginsel volledig hersteld. De Hoge Raad leidt daaruit af, dat het jachtrecht ook is hersteld op de gronden die eigendom waren van de rechthebbende van het jachtrecht. De Hoge Raad verwerpt het betoog dat herstel van het jachtrecht op de eigen grond niet nodig zou zijn, omdat de eigenaar reeds uit hoofde van zijn eigendomsrecht op zijn grond mag jagen. Het voordeel van een jachtrecht op alle in een voormalige heerlijkheid gelegen gronden – in vergelijking met een recht dat alleen rust op een bepaald perceel –, is volgens de Hoge Raad dat degene die wenst te jagen op een bepaald perceel binnen de heerlijkheid, niet behoeft te bewijzen dat hij eigenaar is van dat perceel. Hij kan ermee volstaan te bewijzen dat hij een jachtrecht heeft op alle gronden die tot de heerlijkheid behoren (welk bewijs kennelijk eenvoudiger is te leveren).
De Hoge Raad vervolgt dat zakelijke rechten op eigen grond ‘in het algemeen’ onbestaanbaar zijn, dat het jachtrecht bij het herstel in 1814 een gewoon zakelijk recht is geworden, maar dat het jachtrecht niet geheel hetzelfde karakter heeft als de andere in de wet geregelde zakelijke rechten. Daarom is het mogelijk een jachtrecht op eigen grond te hebben. De Hoge Raad laat het oordeel van het hof in stand dat bij de eigendomsoverdracht van de grond, het jachtrecht bij de vroegere eigenaar is achtergebleven.7
Een bewijsrechtelijk belang is aldus de reden voor de Hoge Raad om aan te nemen dat het heerlijk jachtrecht op een eigen zaak kan rusten. Naar mijn mening is een dergelijk belang geen reden om een beperkt recht op een eigen zaak te kunnen hebben. Zou de aanwezigheid van een bewijsrechtelijk belang reden zijn om aan te nemen dat een eigenaar een beperkt recht op zijn eigen zaak kan hebben, dan zou hij steeds een beperkt recht op zijn eigen zaak kunnen hebben (extreem standpunt b.). De eigenaar zou immers steeds dat bewijsvoordeel hebben. Daarom staat die gedachte op gespannen voet met het uitgangspunt dat een eigenaar geen beperkte rechten op zijn eigen zaak kan hebben. Om die reden kan de argumentatie van de Hoge Raad niet overtuigen. Paul Scholten denkt er ook zo over:
“Het argument van den H. R. in het arrest van 1919 dat een recht, als waarvan sprake, ook bij vermenging voor den rechthebbende van belang blijft, omdat het hem bij betwisting van zijn eigendomsrecht ontheft, zegt te veel: dit zou gelden ons ieder recht waarvan vermenging wordt beweerd. Het is een argument tegen vermenging in het algemeen, niet tegen toepassing van de vermenging in dit geval.”8
49. Nap heeft een vergelijkbare opvatting als de Hoge Raad in het arrest van 25 april 1919.9 Hij geeft het volgende voorbeeld. De eigenaar die een recht van vruchtgebruik op zijn eigen zaak heeft, zou kunnen kiezen of hij een actie instelt op grond van zijn eigendomsrecht of op grond van zijn vruchtgebruik, als iemand de zaak zonder recht onder zich heeft. Volgens Nap is deze keuzemogelijkheid een argument voor het kunnen hebben van beperkte rechten op een eigen zaak. Naps argumentatie kan niet overtuigen. Als een eigenaar op grond van zijn eigendomsrecht en zijn vruchtgebruik dezelfde acties kan instellen, dan heeft het beperkte recht hem niets extra’s te bieden. Het is daarom geen overtuigend argument om een beperkt recht op een eigen zaak om deze reden toelaatbaar te achten.
50. Het Bundesgerichtshof bezigt in zijn uitspraak van 14 juli 2011 eveneens een bewijsrechtelijk argument (zie §3.3.6).10 De eigenaar behoeft niet te bewijzen dat hij een gerechtvaardigd belang heeft bij de vestiging van een beperkt recht op zijn eigen zaak ten gunste van hemzelf. De enkele mogelijkheid dat zo’n belang er kan zijn, is voldoende om een beperkt recht op een eigen zaak te kunnen vestigen. Het vereisen van bewijs zou volgens de Duitse rechter aanleiding kunnen geven tot rechtsonzekerheid. Deze argumentatie zou ik evenmin willen volgen voor het Nederlandse recht. Ik vind het niet overtuigend om enerzijds wel vast te houden aan het vereiste dat belang moet bestaan bij een beperkt recht op een eigen zaak, maar anderzijds geen bewijs te verlangen voor het bestaan van dat belang. Dat vind ik een gekunstelde constructie. Naar mijn mening dient ofwel in ieder concreet geval te worden nagegaan of extra bevoegdheden kunnen worden ontleend aan een beperkt recht op een eigen zaak (de opvatting die naar mijn mening overeenstemt met het geldende recht). Ofwel dient dat vereiste te worden losgelaten, zodat beperkte rechten steeds op een eigen zaak kunnen rusten (het wenselijke recht, zie §11.11).