Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/74:74 Noodzaak regulering
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/74
74 Noodzaak regulering
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS505235:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op het moment dat bepalingen inzake bevoegdheid en inzake erkenning van beslissingen voor meerdere staten geharmoniseerd worden, rijst de vraag hoe omgegaan moet worden met situaties waarin meerdere procedures aanhangig zijn in verschillende staten over hetzelfde onderwerp en tussen dezelfde partijen.1 Er zijn verschillende redenen waarom dergelijke doublure-situaties dienen te worden voorkomen. Ten eerste betekenen twee procedures die in verschillende lidstaten gelijktijdig aanhangig zijn tussen dezelfde partijen dat twee – of meer – rechters gelijktijdig energie besteden aan een en dezelfde zaak. Dit verdraagt zich niet met een efficiënte inzet van schaarse overheidsmiddelen. Ten tweede bestaat de kans dat in parallel lopende procedures uiteindelijk twee onverenigbare uitspraken worden gewezen, hetgeen een sta-in-de-weg vormt voor een vrij verkeer van vonnissen.2 De EEX-Verordening II laat echter – welbewust – de mogelijkheid open dat in een en dezelfde zaak verschillende bevoegde rechters aan te wijzen zijn. De systematiek van een algemene bevoegdheidsregel (woonplaats verweerder in art. 4 EEX-Vo II) en alternatieve bevoegdheidsbepalingen (in art. 7 EEX-Vo II e.v.) kan tot een cumulatie van internationale bevoegdheden leiden. Het rapport Jenard vermeldt over de noodzaak tot het reguleren van situaties waarin meerdere bevoegde rechters ook daadwerkelijk zijn aangezocht:
‘Aangezien er een cumulatie van internationale bevoegdheden kan voorkomen en het geschil rechtsgeldig aan gerechten van verschillende staten kan worden voorgelegd (art. 2 en 5 met name) heeft men het nodig geacht de aanhangigheid te regelen.’3