Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/12.1.3.4:12.1.3.4 De draagwijdte van de bepalingen volgens het Hof van Justitie
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/12.1.3.4
12.1.3.4 De draagwijdte van de bepalingen volgens het Hof van Justitie
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258381:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 267 VwEU opent de mogelijkheid en verplicht rechterlijke instanties van de EU-lidstaten in voorkomende gevallen om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De vragen kunnen betrekking hebben op de uitleg of toepassing van Unierechtelijke bepalingen enerzijds en de geldigheid van de Unierechtelijke bepalingen anderzijds. De arresten van het Hof van Justitie gewezen onder Verordening (EEG) nr. 803/68 zijn niet onverkort van toepassing onder het DWU-wetgevingspakket. Dat houdt verband met het feit dat de douanewaardebepalingen in Verordening (EEG) nr. 803/68 gebaseerd waren op de BWD waarin uit werd gegaan van de theoretische waarde conceptie. De douanewaarde werd vastgesteld op basis van de normale waarde van de ingevoerde goederen in plaats van de werkelijk betaalde of te betalen prijs. De arresten van het Hof van Justitie zoals gewezen onder Verordening (EEG) nr. 1224/80 en aanverwante verordeningen alsmede het CDW-wetgevingspakket zijn voor het overgrote deel nog toepasbaar, omdat voornoemde verordening net als het DWU-wetgevingspakket gebaseerd zijn op de CVA waarin wordt uitgegaan van de positieve waarde conceptie waarbij als uitgangspunt geldt dat de douanewaarde wordt vastgesteld aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijs. Een uitzondering daarop vormt het X BV tegen Staatssecretaris van Financiën-arrest, voor zover daarin is bepaald dat de termijn van één jaar waarbinnen het verzoek om teruggaaf of kwijtschelding na aanvaarding van de invoeraangifte ingediend moet worden ongeldig is (onderdeel 7.2.4). De ‘ongeldigheidsverklaring’ van artikel 145, lid 3, TCDW werkt niet automatisch door naar artikel 132, onderdeel c, UDWU waar thans onder het DWU-wetgevingspakket de éénjaarstermijn is opgenomen. Indien het Hof van Justitie daarom verzocht zou worden, moet artikel 132, onderdeel c, UDWU echter naar mijn mening ongeldig worden verklaard om dezelfde redenen die het Hof van Justitie heeft aangevoerd in het X BV tegen Staatssecretaris van Financiën-arrest (onderdeel 7.2.4.3.4).