Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/6.6.1
6.6.1 Rechtbank Oost-Brabant inzake Myguide: feitencomplex en procesverloop
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS301297:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3 Wet conflictenrecht corporaties (oud), thans art. 10:118 BW.
Rechtbank ’s-Hertogenbosch 24 oktober 2012, JOR 2013, 3.
Te weten r.o. 2.5 van het arrest D Group-Schreurs.
Het woord “bestieren” betekent volgens het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal “(formeel) besturen”. Het woord “bestier” is echter – voor zover ik kan nagaan – niet een bestaand Nederlands woord.
De rechtbank spreekt over doorbraak naar de Zwitserse rechtspersoon-bestuurder, maar bedoelt kennelijk (ook) doorbraak naar de bestuurder van die Zwitserse rechtspersoon- bestuurder.
Gedoeld wordt op de zaak Rechtbank ’s-Hertogenbosch 5 december 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BY5580 (mr. Jansberg q.q./Leduc Investments).
Rechtbank Oost-Brabant 22 mei 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:2779.
Hieronder geef ik de casus van de zaak MyGuide verkort weer.
De aandelen van MyGuide (Nederland) B.V. waren tot 25 oktober 2007 in handen van de in Zwitserland gevestigde vennootschap Road Group Holding AG. Per die datum heeft de eveneens in Zwitserland gevestigde vennootschap MyGuide Holding GmbH (“MyGuide Zwitserland”) alle aandelen in
MyGuide (Nederland) B.V. in eigendom verkregen. Volgens het handelsregister was gedaagde – de heer Pieper (“Pieper”) – vanaf 27 september 2007 onafgebroken bestuurder van Road Group Holding AG en vanaf 7 november 2007 bestuurder van MyGuide Zwitserland. Op 11 november 2008 is MyGuide (Nederland) B.V. in staat van faillissement verklaard. De curator houdt Pieper aansprakelijk voor het boedeltekort. Daartoe voert hij aan dat het bestuur van MyGuide (Nederland) B.V. niet heeft voldaan aan zijn administratieplicht (art. 2:10 BW). Belangrijke onderdelen van de administratie van MyGuide (Nederland) B.V. waren namelijk niet te vinden. Volgens de curator is door de (beweerdelijke) schending van art. 2:10 BW sprake van onbehoorlijke taakvervulling op grond van het wettelijk vermoeden van art. 2:248 lid 2 BW. De curator stelt MyGuide Zwitserland en Road Group Holding AG aansprakelijk voor het tekort in het faillissement. Pieper was gedurende de gehele relevante periode bestuurder van zowel Road Group Holding AG, als MyGuide Zwitserland. Hij was derhalve bestuurder van de rechtspersonen die MyGuide (Nederland) B.V. bestuurden. Daarmee is hij volgens de curator aansprakelijk als ware hij zelf bestuurder van MyGuide (Nederland) B.V. (via art. 2:11 BW).
Pieper voert als verweer dat hij nimmer rechtstreeks bestuurder van MyGuide (Nederland) B.V. is geweest. Hij is slechts bestuurder van de Zwitserse vennootschappen Road Group Holding AG en MyGuide Zwitserland geweest, die op hun beurt gedurende bepaalde tijd bestuurders van MyGuide (Nederland) B.V. waren. Pieper verbindt daaraan het gevolg dat op grond van het in het Nederlands internationaal privaatrecht geldende incorporatiestelsel1 op beide besturende rechtspersonen (Road Group Holding AG en MyGuide Zwitserland) het Zwitserse recht van toepassing is, onder meer voor de aansprakelijkheid van bestuurders jegens de vennootschap. Volgens Pieper is art. 2:11 BW niet van toepassing op beide buitenlandse rechtspersonen, ondanks het feit dat zij in Nederland als bestuurders van MyGuide (Nederland) B.V. zijn opgetreden. De verhouding tussen de Zwitserse rechtspersonen en hun bestuurders (onder wie Pieper) wordt volgens Pieper beheerst door het Zwitserse vennootschapsrecht. Het Nederlandse recht kan zich daarin niet mengen.
De rechtbank merkt op dat de Hoge Raad in het arrest D Group-Schreurs heeft uitgemaakt dat art. 2:11 BW van toepassing is op de buitenlandse (tweedegraads) bestuurder van de Nederlandse (eerstegraads) rechtspersoon-bestuurder van de in staat van faillissement verkerende vennootschappen.2 Daarbij citeert de rechtbank de overweging dat het feit dat D Group zelf is onderworpen aan Belgisch recht (aangezien zij volgens Belgisch recht is opgericht en in België haar (statutaire) zetel heeft (art. 2 Wcc (oud)) niet in de weg staat aan de aansprakelijkheid via art. 2:11 BW.3 Bovendien citeert de rechtbank – naar zij zelf meent – de Hoge Raad in het arrest D Group-Schreurs. In werkelijkheid citeert de rechtbank echter punt 2.5 van de conclusie van A-G Vlas bij dat arrest. Het betreffende citaat houdt in dat art. 2:11 BW niet kan doorwerken in de relatie tussen D Group en haar bestuurders, omdat deze verhouding wordt beheerst door Belgisch recht als het incorporatierecht van D Group waarop het Nederlandse recht niet kan inbreken.
De rechtbank vervolgt met de opmerking dat in commentaren op het arrest D Group-Schreurs in de laatste volzin van voormelde overweging veelal (ook) wordt gelezen dat de Hoge Raad zou hebben beslist dat art. 2:11 BW niet van toepassing is op de bestuurders van buitenlandse eerstegraads rechtspersoon- bestuurders. Dat geval deed zich volgens de rechtbank in de zaak D Group- Schreurs niet voor. De overweging in haar geheel beschouwd, leert – aldus de rechtbank – dat ook buitenlandse (tweedegraads) bestuurders van Nederlandse eerstegraads rechtspersoon-bestuurders ingevolge art. 2:11 BW aansprakelijk kunnen worden gehouden voor onbehoorlijk bestuur. Volgens de rechtbank lijkt de Hoge Raad vervolgens echter de beperking op te leggen dat het incorporatiestelsel eraan in de weg staat om art. 2:11 BW verder te laten doorwerken in de rechtsverhouding tussen de buitenlandse tweedegraads bestuurder en – naar kennelijk mede bedoeld werd – haar (derde- of hogere graads) bestuurders.
Volgens de rechtbank is in de onderhavige zaak sprake van een buitenlandse eerstegraads rechtspersoon-bestuurder (Road Group Holding AG en later MyGuide-Zwitserland) en rijst de rechtsvraag of art. 2:11 BW als bepaling van Nederlands recht en betrekking hebbend op het – wat de rechtbank aanduidt als – “bestier”4 van de bestuurde Nederlandse vennootschap (MyGuide (Nederland) B.V.) zich wel of niet rechtstreeks richt tot de bestuurders van de buitenlandse eerstegraads rechtspersoon-bestuurder, zonder daarmee in te breken in de corporele verhoudingen tussen die eerste- en tweedegraads bestuurders. De rechtbank merkt op dat beantwoording van deze rechtsvraag nodig is om op de vordering van de curator te kunnen beslissen. Indien in het onderhavige geval art. 2:11 BW niet van toepassing is, moet de vordering van de curator immers aanstonds op zijn primaire grondslag worden afgewezen. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de tweedegraads bestuurder (Pieper) niet rechtstreeks aansprakelijk kan worden gesteld, aangezien onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld om Pieper als (mede-)beleidsbepaler in de zin van art. 2:248 lid 7 BW aan te merken.
De rechtbank oordeelt dat de rechtsvraag beantwoording verdient vóórdat een inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt. Indien doorbraak naar de bestuurder van de Zwitserse rechtspersoon-bestuurder op grond van art. 2:11 BW mogelijk is,5 dan volgt een omvangrijk onderzoek naar het al dan niet kennelijk onbehoorlijk vervullen van de bestuurstaak. Wordt in hoger beroep anders geoordeeld, dan is – aldus de rechtbank – zo’n duur onderzoek voor niets geweest. De rechtbank geeft aan dat het antwoord op de onderhavige rechtsvraag ook rechtstreeks van belang is voor de beslechting van talrijke andere – uit soortgelijke feiten voortvloeiende – geschillen waarin deze vraag zich voordoet (art. 392 lid 1 sub b. Rv.). Daarbij tekent de rechtbank aan dat in het bijzonder in het rechtsgebied van de rechtbank de kans bestaat dat malafide ondernemers zich bedienen van net over de grens gevestigde buitenlandse vennootschappen om daarmee bestuurdersaansprakelijkheid te omzeilen. De rechtbank voegt daaraan toe dat deze vraag concreet speelt in een andere voor de betreffende rechtbank aanhangige zaak die op dat moment voor vonnis staat.6 Voor de beantwoording van de vraag dienen volgens de rechtbank ook grote maatschappelijke belangen te worden afgewogen. Enerzijds is daar het belang dat misbruik van vennootschappen wordt tegengegaan door de misbruikwetgeving ruim te kunnen toepassen en te voorkomen dat door het tussenschuiven van een buitenlandse vennootschap deze misbruikwetgeving wordt omzeild. Anderzijds is er het Nederlandse handelsbelang dat bonafide buitenlandse vennootschappen vrijelijk aan het Nederlandse rechtsverkeer kunnen deelnemen zonder dat hun bestuurders worden geconfronteerd met aansprakelijkheden die hun corporatierecht niet kent.
Nadat de partijen in de procedure zich daarover conform het bepaalde in art. 392 lid 2 Rv. hebben uitgelaten, stelt de rechtbank op grond van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad:7“Is artikel 11 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek ook van toepassing in het geval waarin een Nederlandse rechtspersoon bestuurd wordt door een buitenlandse rechtspersoon, in die zin dat de aansprakelijkheid van die buitenlandse, besturende rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op hen die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de besturende rechtspersoon daarvan bestuurder zijn?”