Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.3:6.3 Toepassingsbereik
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.3
6.3 Toepassingsbereik
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS603465:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hierbij moet worden geabstraheerd van strafverlagende omstandigheden zoals poging of medeplichtigheid, aldus ook Beaujean 2007, p. 1893.
Er bestaan aanwijzingen dat het verlofstel ook van toepassing is indien geen sanctie is opgelegd, zie Rutgers 2010, aant. 4.1 bij art. 410a Sv.
Duidelijk in Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 4, p. 3.
Paragraaf 3.5c.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het verlofstelsel in hoger beroep is in reikwijdte nogal beperkt. Artikel 410a Sv is namelijk niet van toepassing op alle strafzaken waarin hoger beroep openstaat en wordt ingesteld, maar slechts op “zaken van beperkte omvang en relatief gering belang”, aldus de toelichting.1 Volgens de wet moet aan de hand van een combinatie van abstracte en concrete beoordeling worden bepaald of een strafzaak valt onder het bereik van artikel 410a Sv. Volgens de abstracte toets moet worden vastgesteld of het vonnis uitsluitend betrekking heeft op overtredingen of misdrijven waarop niet meer dan vier jaren gevangenisstraf is gesteld.2 Betreft het beroep in abstracto geen ‘zware zaak’ én is in het vonnis geen andere straf of maatregel opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van € 500, dan is het verlofstelsel op de zaak van toepassing.3 Het voorstel van het College van procureurs-generaal om deze toets op te hogen naar € 750 of € 1000 is van de hand gewezen onder verwijzing naar de “relatief lichte procedure waarin wordt beslist op de toelating tot hoger beroep”.4
Het beperkte toepassingsbereik van het verlofstelsel in hoger beroep is terecht geen doorslaggevend argument geweest voor de opvatting van de wetgever over de toelaatbaarheid van dat verlofstelsel. In plaats van te oordelen dat het mensenrecht op beroep in verlofgevallen niet van toepassing is, meent de wetgever dat de verlofbeoordeling op zichzelf aan de verdragseisen voldoet in de relatief lichte zaken waarop het verlofstelsel ziet. Daarom kan het antwoord op de vraag of het recht op beroep op verlofgevallen van toepassing is in het midden blijven, aldus de minister.5 Over dat antwoord kan intussen weinig twijfel bestaan. Volgens de abstracte maatstaf van het EHRM zijn de meeste verlofgevallen in hoger beroep niet als offences of a minor character in de zin van artikel 2P7 aan te merken, aangezien op de meeste betrokken strafbaarstellingen een vrijheidsstraf is gesteld.6 Ook artikel 14 lid 5 IVBPR is in beginsel op het verlofstelsel van toepassing.7