Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.12:4.7.12 Splitsing
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.12
4.7.12 Splitsing
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644916:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wichers (2002), p. 141.
Tot een vergelijkbare conclusie komt ook Tweehuysen, zie: Tweehuysen (2016), p. 207.
Art. 3:213 BW en art. 3:229 BW. Zie hierboven: §4.7.9.
Spath, AA 2004/02, p. 100.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Feitelijke splitsing komt minder vaak voor dan afscheiding. Zij komt bovendien alleen voor bij roerende zaken. Onroerende zaken zijn alleen juridisch te splitsen. Net als bij afscheiding kan vóór de splitsing slechts sprake zijn van één eigendomsrecht. Het verschil tussen splitsing en afscheiding is, dat na splitsing geen oorspronkelijke zaak meer bestaat. Een zaak gaat volledig teniet, verschillende zaken komen daarvoor in de plaats. Verschil in rechtsgevolg is er tussen afscheiding en splitsing daarentegen niet. Wat voor afscheiding geldt, geldt ook voor splitsing. Net als bij afscheiding zijn de (feitelijk) gesplitste zaken niet aan te merken als res nullius. Als een buis in tweeën wordt gezaagd, dan behoren beide delen aan de oorspronkelijke eigenaar van de buis. De verschillende stukken van een vaas die op de grond kapot is gevallen, behoren toe aan de eigenaar ervan. Deze verschillende stukken zijn, gezien de definitieve breuk, afzonderlijke zaken. Het eenheidsbeginsel brengt mee dat op al deze zaken afzonderlijke eigendomsrechten rusten.
Anders dan bij afscheiding leent art. 5:1 ld 3 BW zich minder als wettelijke grondslag voor eigendomsverkrijging, omdat dat artikel van toepassing is op gevallen waarin de oorspronkelijke zaak blijft bestaan. Het uitgangspunt, dat de eigenaar van deze oorspronkelijke zaak ook eigenaar is van de gesplitste zaken, blijft bij splitsing wel hetzelfde. Als wettelijke grondslag kan 5:14 lid 2 BW dienen, aangezien splitsing het spiegelbeeld is van art. 5:14 lid 2 BW. In dat artikel wordt het rechtsgevolg geregeld als twee of meer zaken met elkaar worden verbonden zonder dat sprake is van een hoofdzaak. Na de splitsing bestaat zoals gezegd evenmin een oorspronkelijke (hoofd)zaak. Het rechtsgevolg van art. 5:14 lid 2 BW is dat de verschillende eigenaren (indien aanwezig) van de zaken een aandeel in een nieuw eigendomsrecht verkrijgen. Deze eigendomstoewijzing is gebaseerd op de oorspronkelijke eigendom.1
Terwijl tussen art. 5:14 BW lid 1, het spiegelbeeld van afscheiding, en art. 5:14 BW lid 2 (het spiegelbeeld van splitsing) een verschil bestaat in rechtsgevolgen, is dat verschil niet aanwezig bij splitsing en afscheiding. De rechtsgevolgen zijn bij beide dezelfde.2 Dit komt omdat na splitsing, behoudens wettelijke uitzonderingen, alleen de eigenaar van de oorspronkelijke zaak aanspraak kan maken op de eigendom van de gesplitste zaken. Dit is anders bij de gevallen beschreven in 5:14 lid 2 BW, waar verschillende personen aanspraak kunnen maken op het nieuwe eigendomsrecht.
De eigenaar van de oorspronkelijke zaak wordt eigenaar van de gesplitste zaken. Deze nieuwe eigendomsrechten zijn gebaseerd op de oorspronkelijke eigendom, gelijk de eigendomstoewijzing bij natrekking. Vandaar dat op de gesplitste zaken eigendomsrechten komen te rusten die corresponderen met het oorspronkelijke eigendomsrecht. Dit betekent dat, net als bij afscheiding, op deze nieuwe zaken dezelfde beperkte rechten rusten die op de oorspronkelijke zaak rustten, mits dit in het systeem van de wet past. Uit het Zalco-arrest vloeit voort dat een beperkt recht op een vermengde zaak van rechtswege op het aandeel in het eigendomsrecht komt te rusten. Ditzelfde gebeurt omgekeerd bij splitsing ook.
Meer nog dan bij afscheiding is dit voor splitsing een wenselijk resultaat. Als de beperkte rechten op de oorspronkelijke zaak niet van rechtswege zouden komen te rusten op de gesplitste zaken, dan zouden de beperkt gerechtigden enkel zakelijke rechten kunnen verkrijgen via zaaksvervanging.3 Bij afscheiding ligt dit anders, omdat de oorspronkelijke hoofdzaak blijft bestaan waarop zij een aanspraak hebben.4
Tot slot nog het volgende. De grens tussen afscheiding en splitsing is niet altijd even duidelijk. Het is mogelijk dat eerst sprake is van afscheiding, en later, na verschillende afscheidingen, de oorspronkelijke zaak niet meer bestaat en men spreekt over splitsing. Zoals gezegd maakt dit voor de rechtsgevolgen geen verschil, die zijn dezelfde. Alle zaken na afscheiding en splitsing behoren in de hoofdregel toe aan de eigenaar van de oorspronkelijke zaak. De nieuwe eigendomsrechten die op deze zaken komen te rusten, hebben dezelfde eigenschappen als de eigendomsrechten van de oorspronkelijke zaak/zaken. Vandaar dat een verschil in terminologie tussen afscheiding en splitsing niet nodig is. Zuiverder is het om te spreken over afscheiding voor de gevallen waarin een deel of delen van een zaak fysiek wordt/worden losgemaakt. Dit om een onderscheid te maken met een andere “afscheiding”, namelijk de juridische splitsing.