Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/28.5:28.5 Aard van de buurweg
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/28.5
28.5 Aard van de buurweg
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS489733:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 maart 1967, NJ 1968,76.
HR 2 mei 1997, NJ 1998, 315.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien wij spreken over de aard van de buurweg (gemeenschappelijk gebruik) dienen zich een aantal mogelijkheden aan. Van Bakhoven, in zijn conclusie voor HR 1 maart 1967, NJ 1968, 76, heeft de mogelijkheden nog eens op een rij gezet.
Het recht van buurweg is:
een recht dat voortvloeit uit een ‘kwalitatieve’ verbintenis uit de wet;
een zakelijk recht:
deel uitmakend van het eigendomsrecht;
bestaande naast het eigendomsrecht en daarmee verbonden als zakelijk recht: ‘een soort erfdienstbaarheid';
een rechtsbetrekking sui generis, noch louter zakelijk noch louter verbintenisrechtelijk, maar van gemengde aard.
Over de aard van de buurweg heeft de Hoge Raad in 1967 gezegd:
‘dat het geheel van rechten en verplichtingen, welke voor de eigenaar van een erf met betrekking tot een naburig erf uit de aanwezigheid van een zodanige weg voortvloeien, ten nauwste verband houdt met zijn eigendom, en de bevoegdheid tot het gebruik van de weg voor zover lopend over een naburig erf op zich zelf niet, gelijk een recht van erfdienstbaarheid, met betrekking tot dat erf vormt “een zakelijk recht op het goed” als bedoeld in art. 3, lid 2 (Onteigeningswet: JGG), gelijk ook die bevoegdheid gezien de daarna onafscheidelijk verbonden overeenkomstige bevoegdheid van de eigenaar van het naburig erf, op zich zelf niet als een op dat erf rustende last in de zin van art. 59 lid 2 der Onteigeningswet mag worden beschouwd.’1
Aldus lijkt de Hoge Raad de leer zoals neergelegd in uitspraken van 10 december 1869, W 3171 en 17 januari 1896, W 6766 trouw gebleven. Ik citeer uit HR 17 januari 1896:
‘dat deze vordering, zooals bij het bestreden arrest te recht is beslist, niet is eene zakelijke, maar daarentegen eene persoonlijke, omdat zij, gelijk art. 129 B.R. het uitdrukt, tot onderwerpheeft de vervulling eener persoonlijke verbintenis, en wel van eene zoodanige, die “uit de wet” voortvloeit;
dat toch in het stelsel van het Burgerlijk Wetboek, gelijk dit is uitgedrukt in de artt. 1388 en 1389 in verband met art. 1269 men in dit geval te doen heeft met eene verbintenis, voortspruitende “uit de wet alleen”, dat is – in tegenstelling van die, ontstaande uit de wet ten gevolge van ’s menschen toedoen – niet uit eene vrijwillige daad, maar uit een feit of een toestand, waaraan de wet rechtsgevolgen verbindt;
dat tot deze soort van verbintenissen behooren (actief) de rechten en (passief) der verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven, omschreven in den vierden Titel van het tweede Boek van het Burgerlijk Wetboek, in het bijzonder die aan verscheiden geburen gemeen ten aanzien van de voetpaden, dreven of wegen, bedoeld in art. 719 BW.’
De mogelijkheid zoals door Van Bakhoven onder 1 genoemd is door de Hoge Raad geaccepteerd.
Wellicht denkt de Hoge Raad daar nu anders over. Inmiddels is immers ten aanzien van de bepalingen van het burenrecht aanvaard dat de rechten en verplichtingen deel uitmaken van de eigendomsrechten (zie hoofdstuk 3). Voorts heeft de Hoge Raad ten aanzien van de noodweg bepaald dat de bevoegdheid tot het aanwijzen van een noodweg een rechtstreeks uit de wet voortvloeiende, de inhoud van het eigendomsrecht van de eigenaren van de naburige erven nader bepalende, bevoegdheid is.2