Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming van ondernemers in aanbestedingsprocedures (R&P nr. VG7) 2013/6.2.3
6.2.3 De uitzonderingen op de verplichte opschortingstermijn
mr. A.J. van Heeswijck, datum 28-11-2013
- Datum
28-11-2013
- Auteur
mr. A.J. van Heeswijck
- JCDI
JCDI:ADS579639:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Aanbestedingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2 ter Rechtsbeschermingsrichtlijnen.
Art. 2.127 lid 4 sub a Aanbestedingswet 2012.
Art. 2.32 sub c Aanbestedingswet 2012. Zie ook punt 8 van de considerans van de Wijzigingsrichtlijn.
Zie Hof Den Bosch 12 februari 2013, JAAN 2013, 49, m.nt. Berben, r.o. 4.5, met betrekking tot II-B diensten. Bovendien zal de overeenkomst op grond van art. 4.15 lid 1 sub b Aanbestedingswet 2012 vernietigbaar zijn, wanneer het verstrijken van de opschortingstermijn niet wordt afgewacht; zie Vzr. Rb. Amsterdam 1 mei 2013, LJN BZ9202, r.o. 4.16.
PG Aanbestedingswet 2012, p. 384-385.
Zie voorts art. 4.15 lid 2 sub a en art. 4.16 lid 2 sub c Aanbestedingswet 2012.
Zie hierna § 3.2.
De Aanbestedingswet 2012 maakt in navolging van de Wira een drietal uitzonderingen op de verplichting van aanbestedende diensten om een opschortingstermijn in acht te nemen. De wetgever heeft hiermee de ruimte benut die de Rechtsbeschermingsrichtlijnen lidstaten bieden.1
Ten eerste hoeft de aanbestedende dienst op grond van artikel 2.127 lid 4 sub a van de Aanbestedingswet 2012 geen opschortingstermijn in acht te nemen, wanneer er geen verplichting bestaat tot bekendmaking van de aankondiging van de opdracht.2 Te denken valt aan situaties waarin de aanbestedende dienst op grond van dwingende spoed mag afzien van een bekendmaking van de aankondiging of aan II-B diensten.3 Artikel 2.127 lid 4 van de Aanbestedingswet 2012 laat de keuze om gebruik te maken van de in dit lid genoemde uitzonderingsgronden over aan de aanbestedende dienst. Wanneer de aanbestedende dienst ervoor kiest een opschortingstermijn in acht te nemen, en daarmee afziet van het gebruik van de uitzonderingsgrond, moet de mededeling van de gunningsbeslissing aan de in artikel 2.130 van de Aanbestedingswet 2012 gestelde eisen voldoen.4
Ten tweede hoeft de verplichte opschortingstermijn op grond van artikel 2.127 lid 4 sub b van de Aanbestedingswet 2012 niet in acht te worden genomen, wanneer de inschrijver met wie de aanbestedende dienst de overeenkomst wil sluiten, de enige ‘betrokken inschrijver’ is en er geen ‘betrokken gegadigden’ zijn. Artikel 2.128 van de Aanbestedingswet 2012 bevat definities van de begrippen ‘betrokken inschrijver’ en ‘betrokken gegadigde’. Volgens de tekst van artikel 2.128 van de Aanbestedingswet 2012 hebben deze definities specifiek betrekking op de begrippen ‘betrokken inschrijver’ en ‘betrokken gegadigde’ in het tweede lid van artikel 2.127 van de Aanbestedingswet 2012 en niet tevens op de gelijkluidende begrippen in het vierde lid van dit artikel. Uit de toelichting bij artikel 2.127 van de Aanbestedingswet 2012 valt echter af te leiden dat met de begrippen ‘betrokken inschrijver’ en ‘betrokken gegadigde’ in de leden 2 en 4 van artikel 2.127 van de Aanbestedingswet 2012 hetzelfde is bedoeld.5 Gelet op de samenhang van beide artikelleden is dit logisch. De keuze van de wetgever om in artikel 2.128 van de Aanbestedingswet 2012 voor één specifiek artikellid definities op te nemen voor begrippen die op meerdere plaatsen worden gebruikt,6 is in mijn ogen ongelukkig. De definities van de begrippen ‘betrokken inschrijver’ en ‘betrokken gegadigde’ lijken beter te passen in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012, waarin alle andere definities zijn opgenomen. Beide begrippen worden hierna in paragraaf 2.4.4 besproken.
Ten derde is inachtneming van de opschortingstermijn op grond van artikel 2.127 lid 4 sub c van de Aanbestedingswet 2012 niet verplicht voor het gunnen van opdrachten op basis van een raamovereenkomst of een dynamisch aankoopsysteem als bedoeld in Afdeling 2.4.2. van de Aanbestedingswet 2012. De reden voor implementatie van deze facultatieve uitzonderingsgrond is het behoud van het voordeel dat de raamovereenkomst en het dynamisch aankoopsysteem bieden om op korte termijnen opdrachten te kunnen plaatsen.7 De keerzijde van deze keuze van de Nederlandse wetgever is de verplichte invoering van een aanvullende vernietigingsgrond ter zake van overeenkomsten die zijn gesloten op basis van een raamovereenkomst of dynamisch aankoopsysteem.8