Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.4.1
14.4.1 Inleiding
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450440:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
www.pkn.nl zoek op: kerkorde en ordinanties.
Van den Heuvel, De waarheidsvriend 2000.
In een kerk met een presbyteriaal-synodale structuur zijn de verantwoordelijkheden verdeeld: over sommige zaken beslist de plaatselijke kerkenraad en over andere zaken beslissen de meerdere vergaderingen (de classis en de provinciale en generale synodes).
Tegelijkertijd zou men kunnen beargumenteren dat indien in een statuut staat opgenomen wat telt als godsdienstige uiting of gedraging een dergelijke uiting of gedraging een enigszins ‘objectief’ karakter krijgt, in die zin dat aan de hand van het statuut toetsbaar is of de betreffende uiting of gedraging hierin staat opgenomen. Objectief heeft dan echter meer de betekenis van ‘toetsbaar’ en niet algemeen geldig.
Zie 19.1. Waarschijnlijk is er minder variëteit in uitingen en gedragingen die in het kader van de inrichtingsvrijheid van het bijzonder onderwijs voor de rechter worden gebracht omdat de statuten van een bijzondere school veel minder omvattend zijn dan die van bijvoorbeeld een kerkgenootschap als de R-K kerk. Het recht van de R-K kerk kan men immers zien als een geheel eigen rechtssysteem dat betrekking heeft op allerlei aspecten van het leven. Dat kan niet gezegd worden van de statuten van een bijzondere school, uiteraard ook omdat een school primair is gericht op onderwijs. Om die reden zien we dat in de context van de bijzondere school er in de jurisprudentie vooral is geprocedeerd over de selectie van onderwijzers en leerlingen (wellicht omdat deze vormen van inrichting ook expliciet zijn genoemd in de Grondwet). Zie hierover 19.4.
Hij past dan de beperkingsclausule van art.2:2 lid 2 BW toe. Er is dan wel kwalificatie van uitingen of gedragingen als godsdienstig maar vervolgens wordt de beperkingsclausule toegepast. Deze gang van zaken is vergelijkbaar met een kwalificatie als godsdienstig op grond van art. 9 EVRM of art. 6 Grondwet en dat dan vervolgens de beperkingsclausule wordt toegepast. Zie hierover 2.1.
De inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen is een complexe materie. Deze vrijheid vormt een uitbreiding van de kwalificatieproblematiek. Want door de inrichtingsvrijheid doet zich het opmerkelijke verschijnsel voor dat de betekenis van godsdienst wordt ‘verdubbeld’. De fundering van de inrichting en organisatie van kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen in theologische bronnen brengt met zich dat op het oog niet-religieuze onderwerpen zoals de organisatievorm, lidmaatschap etc. een religieuze dimensie kunnen krijgen. Zo kunnen we uit de kerkorde1 van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) opmaken dat de verantwoordelijkheden voor het bestuur van dit kerkgenootschap liggen bij de plaatselijke kerkenraad en de synode. Hoewel het statuut dit niet expliciet vermeldt is deze inrichting een uitvloeisel van protestantse theologie.2 In tegenstelling tot de sterk hiërarchische episcopale organisatievorm die kenmerkend is voor de Rooms-Katholieke Kerk en waarbij de bisschop (Episcop) de hoogste ‘in rang’ is, kreeg de Nederlandse Hervormde Kerk (voorloper PKN) onder invloed van het calvinisme een presbyteriaal-synodale3 structuur. Deze keuze is terug te leiden op de protestantse breuk met een theologie die een onderscheid maakt tussen geestelijken en leken. Het leidende beginsel voor protestanten is sola scriptura: iedereen kan de Bijbel lezen en interpreteren onafhankelijk van de kerkelijke traditie. Het is daarom niet te gewaagd om te stellen dat deze organisatievorm net zo sterk als bijvoorbeeld bidden en de eredienst voortvloeit uit de godsdienstige leer en daarmee een godsdienstige uiting is.
Niet alle uitingen en gedragingen die vallen binnen de reikwijdte van de inrichtingsvrijheid zijn puur religieuze uitingen of gedragingen. Dergelijke uitingen of gedragingen kunnen namelijk ook een meer seculier karakter dragen. Zo kunnen er praktische zaken geregeld zijn in bijvoorbeeld een kerkelijk statuut die helemaal los lijken te staan van godsdienst. Omdat de inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen uiteindelijk is terug te voeren op een zekere religieuze autonomie moeten we in algemene zin deze uitingen of gedragingen toch beschouwen als religieuze uitingen of gedragingen of op zijn minst als uitingen en gedragingen die zijn afgeleid van godsdienst of daarmee in verband staan.
Of een uiting of gedraging die valt binnen de reikwijdte van de inrichtingsvrijheid een religieuze uiting of gedraging is of van godsdienst is afgeleid, wordt veelal niet expliciet gemaakt in de jurisprudentie. Dit komt doordat de rechter over het algemeen het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid respecteert en zich niet uitlaat over de vraag of de betreffende uiting of gedraging van inrichtings- of organisatorische aard tevens in eigenlijke zin is te beschouwen als een religieuze uiting of gedraging. De rechter volstaat in de dergelijke gevallen veelal met de vaststelling dat de uiting of gedraging volgt uit het statuut (en daarmee binnen de inrichtingsvrijheid valt) van een kerkgenootschap of religieuze gemeenschap. Gesteld kan worden dat indien de rechter de bepalingen uit het statuut volgt hij een subjectiverende kwalificatiewijze hanteert. Hij erkent dan de zelfdefinitie van het kerkgenootschap om uitingen of gedragingen als godsdienstig te kwalificeren of als uitingen of gedragingen die van godsdienst zijn afgeleid.4 Omdat de inrichtingsvrijheid een sterk onbepaald karakter draagt en doordat er in Nederland verschillende kerkgenootschappen zijn waarvan sommige een zeer goed ontwikkeld kerkrecht hebben komen we in (tegenstelling tot de inrichtingsvrijheid van het bijzonder onderwijs5) in de jurisprudentie een grote variëteit tegen van uitingen en gedragingen die zijn afgeleid uit het kerkelijk statuut.
In het navolgende worden eerst een aantal zaken besproken waarin de rechter zonder meer het statuut volgt en daarmee een subjectiverende kwalificatiewijze volgt. Vervolgens komen er een aantal zaken aan bod waarbij de rechter de zelfdefinitie van kerkgenootschappen min of meer erkent (en daarmee een subjectiverende kwalificatiewijze hanteert) maar waarin hij stelt dat de betreffende uiting of gedraging in strijd is met het (Nederlandse) recht.6 Ten slotte worden er een aantal zaken behandeld waarin de rechter de zelfdefinitie niet erkent doordat hij oordeelt dat de uiting of gedraging niet volgt uit het statuut.