Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/16.3.4.3
16.3.4.3 Uitwerking
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS370033:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ik noem hier enkel degenen die deze suggestie expliciet hebben gedaan: IMF 2011, p. 55; Josephus Jitta 2006-2, p. 230; Lemstra 2006, p. 45-46; Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht 2006 – Advies dertiende richtlijn; AFM 2005 – Consultatiereactie overnamerichtlijn; VEB 2005 en Commissie Vennootschapsrecht 2004 – Advies overnamerichtlijn. Zie ook Beckers 2009-1, p. 72 e.v. Bij nadere beschouwing ben ik van mening dat de AFM zelf zou moeten worden belast met de handhaving van de biedplicht, vooral omdat alleen op deze manier zinvolle guidance kan worden gegeven over het handhavingsbeleid.
In Rb. Rotterdam 16 februari 2012, LJN BV6080, r.o. 2.3.5 is dit bevestigd voor wat betreft art. 3:305d BW-oud, dat de ACM de bevoegdheid gaf om een verzoek tot civielrechtelijke handhaving van de Whc te richten aan het Gerechtshof Den Haag. De rechtbank baseerde dit oordeel op ee aantal argumenten, waaronder “het ongewenste effect […] dat de bestuursrechter (tot in hoogste instantie) reeds een oordeel zou kunnen geven over de rechtsgevolgen van een feitencomplex, terwijl het uiteindelijke oordeel hierover bij de burgerlijke rechter ligt.” Dit argument speelt, overigens net als de andere, hier niet genoemde argumenten, ook bij art. 5:73 Wft.
Voor de volledigheid: beslissingen van de AFM op handhavingsverzoeken buiten de privaatrechtelijke context zijn wel appellabel nu het daarbij gaat om een beschikking in de zin van art. 1:3 lid 2 Awb. Zie bijvoorbeeld CBb 30 juni 2005, JOR 2005/193 m.nt. Nieuwe Weme; AB 2005/391 m.nt. Van der Vlies (Hunter Douglas) en – inzake marktmisbruik – CBb 7 juni 2012, JOR 2012/254 m.nt. Affourtit en Van den Broek (Arcelor Mittal/Trafalgar c.s.).
In een voorkomend geval kan de OK vanuit een oogpunt van proceseconomie de verzoeken van de AFM en die van andere belanghebbenden, zoals minderheidsaandeelhouders, samenvoegen. Aldus ook de toelichting op het wetsvoorstel toezicht financiële verslaggeving, waarin de AFM ook als verzoeker wordt aangemerkt, naast andere belanghebbenden, zie Kamerstukken II, 2005/06, 30 336, nr. 3, p. 8.
Zie hierover Lieverse 2010, p. 28 e.v. en p. 104 e.v. Afhankelijk van de desbetreffende norm was de ACM bevoegd privaatrechtelijk dan wel bestuursrechtelijk te handhaven.
Wet van Wet van 25 juni 2014 tot wijziging van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en enige andere wetten in verband met de stroomlijning van het door de Autoriteit Consument en Markt te houden markttoezicht, Stb. 2014, 247.
Vgl. Kamerstukken II, 2015/16, 32 545, nr. 43, p. 5.
Tot voor kort was Zwitserland de uitzondering, maar daar is per 1 mei 2014 niet langer enkel de rechter bevoegd de schorsing van het stemrecht uit te spreken, maar kan de toezichthouder dat zelf doen, onder meer omdat dit in de praktijk voor problemen zorgde (§ 5.8.5).
Voorstanders daarvan zijn: De Brauw, Toezicht Financiële Markten (Groene Serie), art. 5:73 Wft, aant. 14.3; IMF 2011, p. 55; Nieuwe Weme 2004, p. 224 e.v.; Hijmans van den Berg/Van Solinge 2000, p. 166-167 en de door Nieuwe Weme 2002-1, p. 212 genoemde partijen. AFM 2005 – Consultatiereactie overnamerichtlijn geeft dit in overweging als secondbest-oplossing (mocht exclusieve handhaving door de AFM onhaalbaar blijken).
Zie over dat risico in het kader van de handhaving van de Wet handhaving consumentenbescherming/ Wet oneerlijke handelspraktijken, waar oorspronkelijk ook voor een dergelijk duaal model is gekozen, Cherednychenko 2012, p. 223-236 en Lieverse 2010, p. 106. In relativerende zin: G. Koster 2012, p. 28.
Het una via-beginsel, inhoudende dat als de ene weg uiteindelijk niet leidt tot het opleggen van een sanctie, de overheid het niet nogmaals via de andere weg kan proberen, speelt enkel bij samenloop binnen het publiek recht.
Aldus ook De Brauw 2014, p. 190.
Deze oplossing is ook naar voren gebracht gedurende de evaluatie die eind 2015 plaats heeft gevonden (Kamerstukken II, 2015/16, 32 545, nr. 43).
Een grotere rol voor de AFMbij de handhaving van de biedplicht kan op verschillende manieren worden gerealiseerd. Een wetswijziging is onvermijdelijk, daardoor heb ik mij dan ook niet laten beperken. In het onderstaande bespreek ik de drie hoofdoplossingsrichtingen aan de hand van de volgende criteria:
de AFM moet op een zinvolle manier guidance kunnen verschaffen over haar handhavingsbeleid;
toetsing van haar handhavingsbesluiten door de rechter is essentieel;
parallelle handhavingstrajecten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen;
civielrechtelijke handhaving van de biedplicht is onmisbaar.
Dit zijn de hoofdcriteria, zij zijn niet absoluut. Er zit een zekere beoordelingsmarge in; in het onderstaande zal bovendien blijken dat er geen model is dat aan al deze criteria voldoet. Verder zijn de criteria niet absoluut omdat er ook nog andere toetscriteria zijn.
I. AFM als verzoekgerechtigde in art. 5:73 lid 1 Wft
In het eerste model wordt de AFM toegevoegd aan de lijst met partijen die de OK kunnen verzoeken om handhavend op te treden in art. 5:73 lid 1 Wft.1 Indien ervoor wordt gekozen de AFM enkel aan te wijzen als verzoekgerechtigde in art. 5:73 lid 1 Wft, zonder dat zij haar bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden kan inzetten, blijft ook het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming buiten toepassing. Het besluit van de AFM om al dan niet een art. 5:73 lid 1 Wft-verzoek aan de OK te doen is een niet-appellabel besluit tot voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling in de zin van art. 8:3 lid 2 Awb.2,3 In deze variant ligt de uiteindelijke handhavingsbeslissing dus bij de OK.4 Hiervoor is, mede om die reden, gekozen in de jaarrekeningprocedure; gaat het om beursvennootschappen, dan is de AFM bevoegd naleving af te dwingen via de OK (2:448 lid 2 BWen art. 2:452 lid 2 BW).5 Indien ervoor wordt gekozen dat de AFM de biedplicht bestuursrechtelijk kan handhaven en bovendien naleving kan afdwingen via de OK, ontstaat het risico op samenlopende handhavingstrajecten omdat marktpartijen ook zelf naar de OK kunnen stappen (zie eerder). Dat zou kunnen worden opgelost, door de AFMde bevoegdheid te geven naar de OK te stappen, tenzij marktpartijen dat zelf al doen. Dit systeem werd oorspronkelijk gehanteerd in het kader van de Wet handhaving consumentenbescherming (art. 3:305d BW).6 Toen dat niet goed bleek te werken7, is gekozen voor het enkelvoudige spoor van de bestuursrechtelijke handhaving.8
Een nadeel van deze optie is dat de guidance, die de markt verwacht van de toezichthouder (§ 16.3.4.2 sub II), mogelijk niet goed uit de verf komt.9 De AFM kan immers wel guidance geven in welke gevallen zij zich tot de OK zal wenden, maar er is geen garantie dat de OK, die uiteindelijk “gaat” over de biedplicht, het daar mee eens is. Mogelijk is dat de reden dat in geen van de onderzochte landen waar de toezichthouder guidance verschaft omtrent zijn handhavingsbeleid, de biedplicht wordt gehandhaafd door de rechter (§ 5.9 sub III).10 Dit probleem speelt ook bij de andere, hierna te bespreken opties, zij het in minder sterke mate. Nog een ander, hiermee samenhangend nadeel is dat dit voor de AFM mogelijk een te beperkt mandaat is om guidance te gaan ontwikkelen. Zelfs als dat eventueel in een nadere toelichting verduidelijkt zou worden, dan rijst de vraag of zij, gegeven het feit dat de eigenlijke handhavingsbeslissing bij de OK ligt, voldoende ruimte en aanleiding ziet om beleid te ontwikkelen en te investeren in capaciteit om de praktijk van dienst te kunnen zijn bij concrete vragen.
II. AFM als mede-handhaver
In het tweede model wordt de AFM belast met de bestuursrechtelijke handhaving van de biedplicht, naast civielrechtelijke handhaving door de OK.11 Dit model is gekozen bij de meldingsplicht voor substantiële deelnemingen van hoofdstuk 5.3 Wft: de AFM kan bestuursrechtelijk optreden en de bevoegde rechtbank civielrechtelijk (art. 5:52 Wft). In geen van de onderzochte landen is dit model gekozen in het kader van de handhaving van de biedplicht. Overwogen kan worden de AFM bovendien de
bevoegdheid te geven naar de OK te stappen om civielrechtelijke handhaving af te dwingen, naast de thans in art. 5:73 lid 1 genoemde partijen. In de regel zullen marktpartijen zelf in staat zijn te beoordelen of civielrechtelijke bescherming nodig is, maar denkbaar is ook dat de AFM, op basis van de haar beschikbare informatie, beter in staat is dat te overzien.
Het voordeel van deze optie is dat de AFM haar volledige bestuursrechtelijke instrumentarium kan inzetten. In de praktijk zal dat afdoende zijn om correcte naleving van de biedplicht te verzekeren. Mocht een partij desalniettemin in gebreke blijven, dan vormt civielrechtelijke handhaving door de OK een stok achter de deur. Een belangrijk nadeel is dat de AFM en de OK in de uitoefening van hun onderscheiden taken tot verschillende inzichten kunnen komen.12,13 Dit heeft nadelige gevolgen voor eventuele guidance door de AFM: het enkele feit dat de OK tot een andersluidend oordeel zou kunnen komen, zou al ernstig afbreuk kunnen doen aan de effectieve werking daarvan. Een oplossing zou kunnen zijn dat de OK enkel mag oordelen over het al dan niet opleggen van sancties en niet ook of de biedplicht geschonden is; die beslissing is aan de AFM.14 Dat zou met zich brengen dat de AFM de eerste halte is voor partijen die menen dat de biedplicht is geschonden; pas nadat zij zich heeft uitgesproken – en eventueel als hoger beroep is doorlopen (vgl. hierna sub IV) – is een gang naar de OK mogelijk. Een andere oplossing, die het beslissingsprimaat bij de OK laat, is het uitrusten van de AFMmet de bevoegdheid om ontheffing te verlenen van de biedplicht in een beperkt aantal acting in concertsituaties; in alle andere gevallen heeft de OK het laatste woord.15 Overwogen zou kunnen worden om de AFM naast andere belanghebben de bevoegdheid te geven de OK te verzoeken om handhavend op te treden (vgl. sub I). Aldus wordt bereikt dat de AFM beslissingsbevoegd wordt waar het gaat om bepaalde acting in concert-situaties en dienaangaande op een zinvolle manier guidance kan verlenen zonder dat dat er over de hele linie toe leidt dat de OK geen rol speelt. Bovendien wordt samenloop van handhavingstrajecten vermeden.