Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht
Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/6.3.2.2:6.3.2.2 Het gedrag en de goede trouw van de rechthebbende
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/6.3.2.2
6.3.2.2 Het gedrag en de goede trouw van de rechthebbende
Documentgegevens:
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955433:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 17 juni 2021, C-597/19, ECLI:EU:C:2021:492 (Mircom), rov. 95. Zie ook Desaunettes-Barbero e.a. 2020, p. 10.
Zie par. 2.4.2.1 sub (i); par. 6.5.1.2.
Ohly & Stierle, GRUR 2021, afl. 10, p. 1232.
Siebrasse e.a. 2019, p. 147.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het uitgangspunt van toewijzing brengt mee dat ook de rechthebbende in beginsel wordt vermoed in overeenstemming met de goede trouw te handelen. De inbreukmaker kan dit vermoeden weerleggen door aan te tonen dat de rechthebbende opzettelijk vertragingstactieken (hold-up) heeft gebruikt, of op een andere oneigenlijke manier een buitensporige vergoeding probeert te incasseren.1 In zulke gevallen kan de rechter het verbod ook afwijzen op grond van rechtsmisbruik.2 Het gedrag van de rechthebbende kan echter ook op andere manieren worden meegenomen bij de evenredigheidstoets. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de rechthebbende een aanzienlijke periode laat verstrijken voordat hij een verbodsvordering instelt en dat de inbreukmaker in de tussentijd aanzienlijke kosten heeft gemaakt die de overstap naar een niet-inbreukmakend alternatief bemoeilijken.3 Daarnaast is mogelijk dat de rechthebbende zich onredelijk heeft opgesteld bij de licentieonderhandelingen, terwijl er voor de inbreukmaker geen reële alternatieven voorhanden waren voor het voorwerp van bescherming.4