Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/11.3.6.0
Inleiding
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605427:1
- Vakgebied(en)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Erfbelasting
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Schenkbelasting
Voetnoten
Voetnoten
In het besluit van 16 maart 2004, nr. CPP2004/1717M, V-N 2004/22.15, is een aantal specifieke situaties van bedrijfsopvolging behandeld.
In dit verband is in Hof Arnhem 29 december 2006, nrs. 04/00623, 04/00624 en 04/00628, V-N 2007/27.24, 2007/27.25 en 2007/25.1.3, beslist dat de overtolligheid van liquiditeiten op een geconsolideerde basis moet worden beschouwd. In casu moeten moesten liquiditeiten die nodig waren voor kapitaalintensieve aannemingscombinaties en deelnemingen buiten beschouwing blijven.
In de SW 1956 is een aantal faciliteiten opgenomen die de heffing van het successie-en schenkingsrecht bij bedrijfsopvolging verminderen.1 Op basis van art. 35b SW 1956 wordt een deel van de bij erfopvolging of schenking verkregen vermogensbestanddelen aangemerkt als een ‘te conserveren waarde’. Dit geldt voor het vermogen in een IB-onderneming, maar ook voor aandelen die bij de erflater of schenker tot een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 Wet IB 2001 behoorden.
De faciliteiten kunnen als volgt worden samengevat. Ingevolge art. 35c lid 1 SW 1956 wordt het verschil tussen de liquidatiewaarde en de ‘going-concernwaarde’ van het ondernemingsvermogen of de aandelen aangemerkt als een ‘voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde’. Bovendien kan de verkrijger op basis van art. 35c lid 2 SW 1956 verzoeken om nog eens 75% van de waarde van het ondernemingsvermogen of de aandelen, nadat het verschil tussen de liquidatiewaarde en de ‘going-concernwaarde’ als bedoeld in lid 1 hierop in mindering is gebracht, aan te merken als een ‘voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde’. In art. 35c lid 3 SW 1956 is bepaald dat de resterende waarde van het ondernemingvermogen of de aandelen wordt beschouwd als een ‘belaste geconserveerde waarde’.
Op grond van art. 25 lid 11 INV 1990 wordt gedurende vijf jaar uitstel van betaling verleend voor het successie- of schenkingsrecht dat op basis van art. 31a SW 1956 is toe te rekenen aan de ‘voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarden’. Ingevolge art. 28 lid 2 INV 1990 wordt geen invorderingsrente berekend gedurende de periode van uitstel van betaling. Na verloop van vijf jaar wordt de verschuldigde belasting over de ‘voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarden’ verminderd tot nihil, zo bepaalt art. 53c INV 1990.
Voorts wordt op basis van art. 25 lid 12 INV 1990 gedurende een periode van tien jaar rentedragend uitstel van betaling verleend voor de belasting die kan worden toegerekend aan de ‘belaste geconserveerde waarde’.
Aan de behandeling van aanmerkelijkbelangaandelen als een ‘te conserveren waarde’ zijn in art. 7a Uitv.reg. SW 1956 nadere voorwaarden gesteld. In art. 7a lid 1 Uitv.reg. SW 1956 is bepaald dat voor zover de vennootschap meer dan 15% van haar vermogen niet heeft aangewend voor de ondernemingsuitoefening, een correctie plaatsvindt van de ‘te conserveren waarde’. Dit kan worden beschouwd als een ‘niet-beleggingseis’.
Op basis van art. 7a lid 2 Uitv.reg. SW 1956 geldt hierbij een bijzondere behandeling voor houdstervennootschappen. Indien de holding een ‘deelneming’ bezit in een andere aandelenvennootschap, terwijl zij het beleid van de dochtervennootschap bepaalt of mede bepaalt, worden de bezittingen en schulden van de dochter op basis van proportionele consolidatie toegerekend aan de holding.2 Dit is de ‘beleidseis’. Het verbondenheidsbegrip dat in deze beleidseis kan worden herkend, heeft een facilitaire functie.