Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/3.2.5
3.2.5 Geschillen van louter vermogensrechtelijke aard
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS467951:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 21 december 2004,JOR 2005, 5 (Unilever, m.nt. Brink).
HR 18 november 2005,JOR 2005, 295 (Unilever, m.nt. Brink).
De HR heeft zijn beslissing uitdrukkelijk bevestigd in HR 26 juni 2009,ARO 2009, 107, r.o. 3.1.1 e.v. (KPNQwest).
In soortgelijke zin Brink in zijn noot (onder 3) in JOR 2005, 295 (onder HR 18 november 2005 (Unilever)). Zie ook: de kritische opmerkingen van Brink in zijn noot in JOR 2005, 5 (onder OK 21 december 2004 (Unilever)); Van Wijk 2007, p. 387-388.
Geerts 2006, p. 35 (onder 4).
OK 2 augustus 2005,ARO 2005, 155, r.o. 3.7, 3.9 en 3.10 (Denkers TNG Beheer). Zie voor eenzelfde terughoudende opstelling: OK 26 september 2005,ARO 2005, 181, r.o. 3.5 en 3.6 (AVAM Holding); OK 22 februari 2006,ARO 2006, 56, r.o. 3.2 (Carboply); OK 14 februari 2007, ARO 2007, 54, r.o. 3.2-3.10 (Beheermaatschappij Trial); OK 16 januari 2009,ARO 2009, 14, r.o. 3.3 (Utrecht Vastgoed).
OK 12 juli 2006,ARO 2006, 131, r.o. 3.3-3.7 (Becq & Millan Europe). Zie voor andere voorbeelden: OK 21 juni 2005,ARO 2005, 98, r.o. 3.2 (Knapen Trailers); OK 3 mei 2006,ARO 2006, 97, r.o. 3.3-3.6 (Bonne Route Holding); OK 27 december 2006,ARO 2007, 4, r.o. 3.4 (Woudwood).
56. Unilever. Nadat Unilever in maart 2004 door middel van een persbericht heeft meegedeeld voornemens te zijn de in 1999 geplaatste preferente aandelen in het eerste kwartaal van 2005 om te wisselen voor gewone aandelen, dient een aantal aandeelhouders een verzoek in tot het instellen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Het voornaamste punt van bezwaar tegen het besluit tot conversie is dat Unilever naar hun zeggen in 1999 en de jaren erna het vertrouwen heeft gewekt dat zij de preferente aandelen in de tweede helft van 2004 tegen 6,58 euro per preferent aandeel zou inkopen en dat Unilever derhalve handelt in strijd met de gerechtvaardigde verwachtingen. Unilever voert ten verweer aan dat de verzoekers niet ontvankelijk zijn in hun verzoek, althans dat dit verzoek moet worden afgewezen, omdat zij op oneigenlijke wijze gebruik maken van de enquêteprocedure. De Ondernemingskamer1 overweegt dat aan Unilever kan worden toegegeven dat het verzochte onderzoek – mede – het tussen partijen gerezen vermogensrechtelijk conflict betreft ‘en dat een dergelijk conflict op zichzelf en zonder meer niet kan leiden tot gegronde twijfel aan een juist beleid van de vennootschap, zulks te minder nu geen sprake lijkt te zijn van verstoring van de dagelijkse gang van zaken in de onderneming van de vennootschap’. De Ondernemingskamer toont zich echter eveneens gevoelig voor de stelling van verzoekers dat zij geen, althans onvoldoende inzicht hebben in het besluitvormingsproces en de belangenafweging binnen Unilever ter zake van (de uitgifte van) de preferente aandelen, alsmede in de wijze van totstandkoming van externe berichtgeving van Unilever dienaangaande en dat zij derhalve niet kunnen beoordelen of Unilever hen onjuiste onderscheidenlijk misleidende informatie heeft verstrekt (zie voor dit alles rechtsoverweging 3.3). De Ondernemingskamer concludeert dat in een geval als het onderhavige, ‘waarin het vermogensrechtelijk conflict ook de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen raakt, het verkrijgen van opening van zaken als door verzoekers bedoeld, moet worden beschouwd als een van de doeleinden van een mogelijk onderzoek. Mitsdien kan van oneigenlijk gebruik van de enquêteprocedure door verzoekers, zoals Unilever stelt, niet worden gesproken. Verzoekers worden dan ook in hun verzoek ontvangen.’ (rechtsoverweging 3.4)
57. Hoge Raad. Unilever dient beroep in cassatie in. Zij stelt onder meer dat de Ondernemingskamer heeft miskend dat verzoekers alleen dan in hun enquêteverzoek kunnen worden ontvangen en dat het verzoek alleen dan kan worden toegewezen, indien hetgeen zij aan hun verzoek ten grondslag leggen gegronde rede-nen oplevert om te twijfelen aan een juist beleid van Unilever en dat de enkele omstandigheid dat het vermogensrechtelijke geschil ook de positie van de vennootschap en het functioneren van haar organen raakt, daarvoor onvoldoende is (zie rechtsoverweging 5.1.3). De Hoge Raad2 geeft eerst een inleidende beschouwing. Ons hoogste rechtscollege overweegt in rechtsoverweging 4.2, nadat hij zijn beslissing in OGEM Holding omtrent de doeleinden van het enquêterecht heeft herhaald: ‘Tot de doeleinden van het enquêterecht, zoals deze de wetgever voor ogen stonden, behoort niet de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. Wanneer het gaat om een geschil van louter vermogensrechtelijke aard, waarbij de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, kan een enquêteverzoek niet worden toegewezen. Indien het verzoek niets inhoudt dat op die doeleinden betrekking heeft, zal dat verzoek niet-ontvankelijk zijn. Indien het wel op die doeleinden gerichte stellingen inhoudt, maar deze stellingen niet aannemelijk zijn, zal het verzoek weliswaar – indien ook overigens is voldaan aan hetgeen daartoe vereist is – ontvankelijk zijn, maar moeten worden afgewezen.’3 De Hoge Raad komt tot de slotsom dat de Ondernemingskamer het voorstaande niet heeft miskend, nu uit haar beschikking voldoende blijkt welke stellingen van verzoekers naar haar oordeel gegronde redenen opleveren om aan een juist beleid te twijfelen (rechtsoverweging 5.1.4).
De beslissing dat een enquêteverzoek niet kan worden toegewezen wanneer het gaat om een geschil van louter vermogensrechtelijke aard en de doeleinden van een enquêteprocedure niet verwezenlijkt kunnen worden, behelst opnieuw een begrenzing van het toepassingsgebied van het enquêterecht. In de literatuur is echter betwijfeld of deze beslissing voor de praktijk belangrijke consequenties heeft. Geerts bijvoorbeeld verwacht dat het vrij gemakkelijk zal zijn ‘vermogensrechtelijke verzoeken’ te camoufleren, door te stellen dat het vermogensrechtelijke geschil doorwerkt en ook de positie van de vennootschap en haar organen raakt4 : de Ondernemingskamer dient dan ook op haar hoede te zijn en zij moet nagaan of de op de doeleinden van de enquêteprocedure gerichte stellingen aannemelijk zijn.5
Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat Geerts te sceptisch is: de Ondernemingskamer stelt zich bij kwesties van ‘louter vermogensrechtelijke aard’ terughoudend op. Zo wijst zij in de procedure inzake Denkers TNG Beheer het verzoek tot het instellen van een onderzoek af omdat er geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen. Zij concludeert dat de verschillen van inzicht tussen partijen – beiden zijn (middellijk) bestuurder en aandeelhouder – louter van verbintenisrechtelijke aard zijn, zonder dat kan worden gezegd dat in casu – mede – de toestand van (de onderneming van) de vennootschap dan wel het functioneren van haar organen in het geding is: ‘Voorzover derhalve deze verschillen van inzicht niet binnen de vennootschappelijke verhoudingen tot een oplossing kunnen worden gebracht, zullen die geschillen uiteindelijk ter beslechting aan de gewone civiele rechter dienen te worden voorgelegd.’6 In enkele andere procedures heeft de Ondernemingskamer geoordeeld dat de geschillen van vermogensrechtelijke aard wél doorwerken binnen de vennootschap. Ook deze beslissingen zijn mijns inziens alleszins begrijpelijk. Zo overweegt zij in de procedure inzake Becq & Millan Europe dat hoewel het geschil tussen de beide 50%-aandeelhouders (beiden vormen tevens het bestuur) met betrekking tot de reikwijdte van hun joint venture en de als uitvloeisel daarvan opgekomen meningsverschillen van zuiver verbintenisrechtelijke aard zijn, de toestand van de vennootschap en het functioneren van haar organen mede in het geding is: vaststaat dat de besluitvorming van de organen van de vennootschap door de tussen partijen bestaande patstelling wordt geblokkeerd.7 De Ondernemingskamer wijst het verzoek tot het instellen van een onderzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen toe.