Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/1.1.7
1.1.7 Gevaarlijke stoffen
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS300391:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Als onderdeel van de per 1 februari 1995 ingevoerde Wet ‘Aanvulling van de Boeken 3, 6 en 8 nieuw BW met regels betreffende de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen en verontreiniging van lucht, water of bodem’, Kamerstukken nr. 21202. Deze wet wordt in het vervolg van deze studie kortheidshalve aangeduid als ‘Aanvullingswet 1995’.
De regeling van de gevaarlijke stoffen in art. 6:175 legt de aansprakelijkheid (reeds) op de beroeps- en bedrijfsmatige gebruiker (lid 1 van art. 6:175), zodat een vermelding van de gevaarlijke stoffen in lid 1 van art. 6:181 overbodig zou zijn. Zie nader par. 6.6.4.
Lid 3 van art. 6:181 luidt: ‘Wanneer een stof als bedoeld in artikel 175 in de uitoefening van een bedrijf wordt gebruikt door deze stof ter beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening van het beroep of bedrijf van een ander, wordt die ander als de uit hoofde van artikel 175 lid 1 aansprakelijke persoon aangemerkt.’ (curs. AK).
Aan het in 1992 ingevoerde – uit twee leden bestaande – art. 6:181 werd in 1995 een derde lid toegevoegd.1 Lid 3 van art. 6:181 ziet op gevaarlijke stoffen als bedoeld in het eveneens als onderdeel van de Aanvullingswet 1995 aan afd. 6.3.2 BW toegevoegde art. 6:175.2 Het derde lid van art. 6:181 zoekt bij lid 2 van deze bepaling aansluiting door voor gevaarlijke stoffen een gelijksoortige regeling te geven in geval van meerdere gebruikers. Aldus doet zich hier met lid 2 van art. 6:181 vergelijkbare problematiek voor: omvat lid 3 in het algemeen gebruikers die een stof aan een ander ter beschikking stellen dan wel gaat het enkel om gebruikers wier activiteiten bestaan uit het aan anderen ‘ter beschikking stellen’ van stoffen? En valt vanuit het oogpunt van slachtofferbescherming, in plaats van een concentratie van aansprakelijkheid bij telkens ‘de laatste in de keten’, ook in dit verband juist niet wat te zeggen voor een gelijktijdige aansprakelijkheid van alle betrokken gebruikers?
Geheel ‘eigen’ aan lid 3 van art. 6:181 is het intrigerende feit dat zij een aansprakelijkheid van ook de beroepsmatige gebruiker binnen art. 6:181 introduceert. Anders dan de al in 1992 ingevoerde leden 1 en 2 van art. 6:181 waarin enkel van ‘bedrijf’ wordt gesproken, omschrijft lid 3 van art. 6:181 de aansprakelijke persoon op ruimere wijze door te spreken van ‘beroep of bedrijf’. Vormt dit laatste nu een aanwijzing voor een ruime interpretatie van de (enkele) term ‘bedrijf’ uit art. 6:181 lid 1 en 2? Of betreft – andersom – het door de wetgever in art. 6:181 lid 3 (wél) expliciet spreken van óók ‘beroep’ juist een argument tegen het impliciet ‘inlezen’ daarvan in de leden 1 en 2 van art. 6:181? Opmerkelijk is in ieder geval dat waar lid 3 van art. 6:181 ten opzichte van art. 6:181 lid 1 en 2 de aansprakelijkheid uitbreidt naar óók de beroepsmatige gebruiker, dit enkel degene betreft aan wie de stof ter beschikking wordt gesteld; de regeling is voor wat betreft degene door wie de stof aan een ander beschikbaar wordt gesteld, beperkt gebleven tot alleen de bedrijfsmatige gebruiker.3