Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.2.1:3.2.1 Afhankelijkheid van verklaringen in het algemeen
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.2.1
3.2.1 Afhankelijkheid van verklaringen in het algemeen
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Sleutels 2000, p. 87. Zie ook Coady 1992, p. ix. Volgens Coady komt het gebrek aan interesse voor dit onderwerp voort uit het feit dat de traditionele epistemologie nogal individualistisch is ingesteld. Filosofen hebben veel aandacht besteed aan wat het ‘ik’ weet, maar niet aan wat ‘we’ weten.
Dit begrip wordt in de epistemologie traditioneel vrij breed opgevat, in de zin dat hetgeen is opgetekend in tekstboeken en officiële documenten (zoals geboorteakten) daar ook onder valt.
Coady 1992.
Zie bijv. Lackley 2006.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rol van kennis die tot ons komt door middel van uitingen van onze medemens, is in de epistemologie lange tijd verwaarloosd. Met de komst van de verlichting, die een reactie vormde op het dogmatisch autoriteitsdenken van de voorafgaande eeuwen, is de waarde van de overlevering in het algemeen en de verklaring van de ander in het bijzonder naar de achtergrond verschoven. Het motto van de Britse Royal Society uit 1660, ‘nullius in verba’, bracht dit treffend tot uitdrukking: de weg tot het kennen van de werkelijkheid was niet langer het woord van de autoriteiten, maar de eigen zintuiglijkheid in combinatie met de rede. Men wilde kennis op eigen kracht vergaren en toetsen en daarbij niet meer aangewezen zijn op anderen. De filosofie in de verlichting was meer op het ‘zelf’ gericht, in de zin dat het eigen bewustzijn centraal stond.1 In datgene wat de mens zichzelf onmiddellijk bewust is en direct kan waarnemen, lag de bron van kennis.
Hoewel Hume, Locke en Reid al aandacht aan dit thema hadden besteed, is pas sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw het concept testimony (hier vertaald met de ‘verklaring’2) in filosofische kringen meer in de belangstelling komen te staan. Coady was een van de eersten die een uitvoerige filosofische studie wijdde aan de verklaring.3 Sindsdien is de verklaring in de kentheorie onderwerp van veel debat en zijn hierover talloze, vooral Engelstalige publicaties verschenen.4 Inmiddels moet worden erkend dat – het ideaal van de verlichting ten spijt – onze samenleving mede functioneert op basis van kennis van ‘autoriteiten’. Dit geldt ook voor individuen: veel van wat wij mensen (menen te) weten, hebben wij aangenomen op het gezag van anderen en betreft kennis die wij niet zelfstandig hebben kunnen toetsen. Een klassiek voorbeeld is de wetenschap omtrent de eigen geboortedatum. Kennis hieromtrent zal in alle gevallen zijn verkregen door middel van verklaringen van anderen in de vorm van de bewering van de moeder of een geboorteakte.
De erkenning van de rol van verklaringen in ons proces van kennisverwerving heeft geleid tot een deelgebied binnen de epistemologie dat zich geheel richt op de verklaring. Binnen dit deelgebied houden onderzoekers zich onder andere bezig met de vraag of verklaringen kunnen gelden als zelfstandige bron van kennis en wat de voorwaarden zijn waaronder verklaringen kennis in de zin van ‘waar gerechtvaardigd geloof’ kunnen opleveren. Bij deze aspecten wordt later in dit hoofdstuk nader stilgestaan.