Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.3.1.1
5.3.1.1 Klaassen-Eggens-Luijten, Erfrecht
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS614399:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Klaassen-Eggens-Luijten, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink B.V. 1989, p. 334.
Een definitie van het begrip verkoopwaarde treft men niet aan. Is de verkoopwaarde gelijk aan de koopprijs? Of mogen eventuele verkoopkosten ook in de bepaling van de verkoopwaarde betrokken worden? Zie daarover bijvoorbeeld A. Begheyn, Verkoopwaarde, WPNR 4743 (1962).
Klaassen-Eggens-Luijten, Erfrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink B.V. 1989, p. 335. Zie over de problematiek van de door de – langstlevende – echtgenoot bewoonde woning uitgebreider, paragrafen 4.3 en 4.4.
Daarbijwordt verwezen naar HR 23 december 1965, NJ 1967, 44 (Hendriksen-Maatkamp).
Klaassen-Eggens-Luijten, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink B.V. 1989, p. 336. In gelijke zin, Asser-Meijers-Van der Ploeg, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1976, p. 298, 299.
Klaassen-Eggens-Luijten, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink B.V. 1989, p. 336.
Klaassen-Eggens-Luijten, Erfrecht, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink B.V. 1989, p. 386.
Het begrip waarde als zodanig komt in Klaassen-Eggens-Luijten bij de behandeling van alle in paragraaf 2 opgesomde artikelen voor, zij het – met uitzondering van art. 1123 en art. 1124 BW oud – zonder nadere omschrijving, definiëring of inkadering daarvan. In deze paragraaf zal ‘waarde’ dan ook uitsluitend in verband met de beide laatstgemelde artikelen aan de orde komen.
De waardering overeenkomstig art. 1123 en art. 1124 BW oud maakte deel uit van de afdeling ‘Van boedelscheiding’ (art. 1117 e.v. BW oud). Zij waren dwingendrechtelijk van aard voor zover het een ‘scheiding’ als bedoeld in art. 1117 BW oud betrof. De bepalingen luidden algemeen en zouden ook bij andere ‘scheidingen’ van toepassing kunnen zijn, zij het dat de wijze van waarderen daar ter vrije keuze van de deelgenoten was, zo valt in Klaassen-Eggens-Luijten te lezen.1
Art. 1123 en 1124 BW oud bevatten, behalve voor de officieel genoteerde effecten, geen waardemaatstaven of waarderingsaanwijzingen, -factoren of -methoden. Zij regelen de wijze waarop tot een waardevaststelling kan of moet worden gekomen; de (procedurele) waarderingsvoorschriften derhalve.
Klaassen-Eggens-Luijten vermeldt dat de waarde van goederen, waarnaar – in het kader van de verdeling – gewaardeerd behoort te worden, in het algemeen de verkoopwaarde is.2 Daarbij dienen alle omstandigheden die op de waarde invloed kunnen uitoefenen, in acht te worden genomen, zoals bijvoorbeeld pacht- of huurovereenkomsten. Tevens wordt verwezen naar ‘de problematiek van het niet verhuurde doch wel bewoonde huis, met name wanneer de langstlevende echtgenoot dit bewoont’.3 Voorts wordt nog opgemerkt dat de goede trouw en de billijkheid meebrengen dat bij de waardering wordt gelet op alle factoren, die de waarde van de aan een deelgenoot toe te delen goederen voor hem bepalen.4 Als voorbeeld wordt de toedeling van een nagelaten pakket aandelen in de familievennootschap aan de zoon gegeven, die reeds – voor het overlijden – aandelen hield en door de toedeling een meerderheidsbelang verkrijgt. De waarde van dit pakket zal met inachtneming van die omstandigheid moeten worden bepaald.5 In dit voorbeeld ligt de suggestie besloten dat dit pakket voor deze zoon een hogere waarde zal hebben dan voor de andere deelgenoten, nu hij door de verkrijging een meerderheidsbelang in de familievennootschap verwerft.
Met betrekking tot de waardering van tot het te verdelen vermogen behorende vorderingen die ten laste van een erfgenaam/deelgenoot komen, zal volgens Klaassen-Eggens-Luijten een (af)waardering van de nominale waarde dienen plaats te hebben voor zover deze vorderingen niet of niet geheel door gedwongen schuldverrekening in rekening gebracht kunnen worden en de desbetreffende schuldenaar overigens insolvent is.6 Zou een dergelijke vordering onder tijdsbepaling bestaan, kan verrekening voor de contante waarde op het verdelingstijdstip plaatsvinden.7
Over de waarde(ring)van de tot een gemeenschap behorende schulden wordt overigens met geen woord gerept.
Voorts is opvallend dat nagenoeg alle jurisprudentie, waar in het notenapparaat van de desbetreffende pagina's van Klaassen-Eggens-Luijten naar wordt verwezen, slechts de waarde(ring)van goederen in het kader van de verdeling van een huwelijksgemeenschap en niet van een nalatenschap als zodanig betreft.