Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/VIII.11.3.2
VIII.11.3.2 De vaststelling van het object van de cessie/verpanding
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS361241:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van der Feltz I 1896, p. 27. Vgl. Verstijlen 1998, p. 103-104.
Zo ook: Wuisman in zijn conclusie voor HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96, m.nt. Verstijlen (Hamm q.q./ABN-AMRO), onder nr. 3.3. Vgl. voorts: Verstijlen 1998, p. 335-336 en p. 338-339. Zie ook: Hof Arnhem 31 maart 2009, JOR 2009/18 (Klomp q.q./PWG) waarin het hof oordeelde dat het tot de taak van de curator behoort om de schuldeiser met een eigendomsvoorbehoud te voorzien van de gegevens die hij nodig heeft om zijn eigendomsrecht uit te oefenen.
De curator dient in beginsel de goederenrechtelijke rechten van derden (de separatisten) te respecteren en zich te onthouden van een inbreuk daarop. Een inbreuk levert een onrechtmatige daad op. De curator dient afhankelijk van de omstandigheden de rechthebbende op de hoogte te brengen van het faillissement en hem een redelijke mogelijkheid te bieden zijn recht geldend te maken (vgl. art. 58 lid 1 Fw). Vgl. HR 19 april 1996, NJ 1996, 727, m.nt. WMK (Maclou en Prouvost) en HR 19 december 2003, NJ 2004, 293, m.nt. PvS (Curatoren Mobell/Interplan). Zie uitvoerig: Verstijlen 1998, p. 327 e.v.
Zie HR 20 juni 1997, NJ 1998, 362, m.nt. WMK, r.o. 3.3.
Kennelijk anders: Keukens & Wibier 2007, p. 903-904 en Keukens 2009, p. 35-36.
Bevestigend wat betreft de vraag of een (stil) pandhouder met een beroep op art. 3:15j (d) BW inzage kan vorderen in de administratie van de failliet teneinde de persoons- en adresgegevens van de schuldenaren van de verpande vorderingen te kunnen achterhalen, zodat hij mededeling van zijn pandrecht kan doen: Hof ’s-Gravenhage 25 september 2007, JOR 2007/287, m.nt. Van Andel (Hamm q.q./ ABN-AMRO); A-G Wuisman in zijn conclusie voor HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96, m.nt. Verstijlen (Hamm q.q./ABN-AMRO), onder nrs. 2.6 t/m 2.10 en 3.3; Verdaas 2008, nr. 260; Vermunt 2006, p. 178; Molkenboer 2004, p. 117; Damkot & Verdaas 2003, p. 12-13. Ontkennend: Groenewegen & Orval 2009, p. 50; Keukens 2009, p. 38; Verstijlen 2007, p. 161 e.v.; Keukens & Vriesendorp 2007, p. 397 en Van Daal 2003, p. 84 e.v.
Zie Hof ’s-Gravenhage 25 september 2007, JOR 2007/287, m.nt. Van Andel (Hamm q.q./ABN-AMRO).
Zie Hof Amsterdam 15 januari 2004, JOR 2004/62, m.nt. Abendroth (Funds/Curatoren Jomed) en Hof Arnhem 12 mei 2009, JOR 2009/269, m.nt. Van Andel (Holding Kampschöer e.a./Le Roux Fruits Exports e.a.). Vgl. ook: Vzr. Rb. Arnhem 21 oktober 2008, JOR 2009/23, m.nt. Van Andel en Vzr. Rb. Breda 2 februari 2004, JOR 2004/90.
Vgl. Van Daal 2003, p. 87 die eveneens een restrictieve uitleg van art. 3:15j (d) BW voorstaat en het verdedigbaar vindt dat “slechts die crediteuren inzage in de boeken van de failliet kunnen vorderen, die daarbij handelen in hun zuivere hoedanigheid van crediteur van de failliet, met het oog op ofwel een betere afwikkeling van het faillissement in het algemeen, ofwel een hogere uitkering uit het faillissement”.
Het hof verwijst daarvoor mede naar het arrest van de Hoge Raad van 12 april 1901, W. 7590 (Kampfraath/curatoren). Het hof overweegt voorts dat er geen aanleiding is om een “rechtstreeks en voldoende belang” aan te nemen als in de bepaling bedoeld, in het geval openlegging wordt gevorderd van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die mede zien op het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Indien de curator openlegging weigert, kan daartegen worden opgekomen bij de rechter-commissaris op grond van art. 69 Fw. Het zou volgens het hof niet in het stelsel van de Faillissementswet passen, indien daarnaast ook een beroep zou kunnen worden gedaan op art. 3:15j BW. Dit oordeel wordt in cassatie gevolgd door de Hoge Raad, zie HR 21 januari 2005, NJ 2005, 250, m.nt. PvS (Funds/Curatoren Jomed II).
Vgl. Keukens & Vriesendorp 2007, p. 397.
Dit is mogelijk anders in geval van een binnen de grenzen van art. 3:84 lid 3 BW toegelaten zekerheidscessie.
Anders: Groenewegen & Orval 2009, p. 50.
De beperking kan evenmin worden afgeleid uit het arrest Kampfraath/curatoren. In dit arrest ging het om de vraag of in geval van faillissement alleen de curator een beroep op art. 11 WvK (de voorloper van art. 15j BW) kan doen of dat een dergelijk beroep toekomt aan iedere schuldeiser van de failliet. De Hoge Raad oordeelde in laatstbedoelde zin. Uit het arrest kan echter niet worden afgeleid dat enkel schuldeisers een beroep op art. 11 WvK konden doen en niet ook andere belanghebbenden zoals separatisten. Evenmin kan uit het arrest worden afgeleid dat schuldeisers alleen openlegging van de administratie kunnen vorderen teneinde de omvang van hun vordering nader te kunnen bepalen.
Zie MvT, TK 2000-2001, 27 824, nr. 3, p. 8-9, waar met zoveel woorden wordt opgemerkt dat het limitatieve karakter van art. 11 van het Wetboek van Koophandel, de voorloper van het huidige art. 3:15j BW, niet is gehandhaafd. Volgens de minister kan niet worden uitgesloten dat zich ook buiten de in art. 11 WvK genoemde gevallen verhoudingen kunnen voordoen waarin openlegging gevorderd kan worden. Mede in verband daarmee is de verwijzing in art. 11 WvK naar “aanstellers van factoors of bewindvoerders”, die als verouderd werd beschouwd, niet overgenomen. Kennelijk kan ook een bewindvoerder, ook al wordt hij niet meer met zoveel woorden als belanghebbende genoemd, een beroep doen op art. 3:15j BW, mits hij een rechtstreeks en voldoende belang bij openlegging heeft. Dat art. 3:15j BW geen limitatief karakter heeft, wordt ook opgemerkt door: Van Veersen 2006, p. 6 en p. 9 en Weijers & Haasjes 2006, p. 52. Zo ook: Vzr. Rb. ’s-Gravenhage 5 december 2007, LJN: BB9517. Anders: Rb. Haarlem 7 maart 2007, LJN: BA9757 (Serac B.V.).
Zo ook: Van Veersen 2006, p. 9 en p. 10.
Vgl. HR 8 november 1946, NJ 1947, 36, m.nt. EMM (Sure-a-Lite/Herberhold).
Zie MvT, TK 2000-2001, 27 824, nr. 3, p. 8-9.
Vgl. Groenewegen & Orval 2009, p. 48.
Zie Hof ’s-Gravenhage 25 september 2007, JOR 2007/287, m.nt. Van Andel (Hamm q.q./ABN-AMRO), waarbij zij opgemerkt dat het in dit arrest niet ging om de vraag of de pandhouder inzage in de administratie kon vorderen teneinde zijn pandrecht te kunnen bewijzen, maar om de vraag of op grond van art. 3:15j BW inzage in de administratie gevorderd kon worden teneinde de persoons- en adresgegevens van de schuldenaren van de verpande vorderingen te achterhalen zodat de pandhouder in staat was om mededeling van het pandrecht te doen.
In HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96, m.nt. Verstijlen (Hamm q.q./ABN-AMRO) heeft de Hoge Raad daartoe de gelegenheid gehad, maar daarvan geen gebruik gemaakt (zie r.o. 5.1). Zie echter de conclusie van Wuisman onder nr. 3.3.
Zie HR 21 januari 2005, NJ 2005, 250, m.nt. PvS. Zie echter ook: Verstijlen 2010, p. 213, die van mening is dat het oordeel van de Hoge Raad omtrent de informatieverplichting van de curator eveneens van belang is voor een vordering tot openlegging van de door de schuldenaar tot aan diens faillietverklaring vervaardigde boekhouding. Dit zou betekenen dat de grenzen die de Hoge Raad in zijn arrest op basis van art. 69 Fw stelt aan het informatierecht van art. 3:15j BW in faillissement, ook gelden voor zover informatie wordt verlangd uit de boekhouding die door de schuldenaar tot aan zijn faillietverklaring is gevoerd.
832. De taak van de curator; de curator dient goederenrechtelijke rechten van derden te respecteren. Wat betreft de eerste deelvraag, die betrekking heeft op de vaststelling van de in de cessie of verpanding betrokken vorderingen, geldt naar mijn mening het volgende. Op grond van art. 68 Fw is de curator belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Hij dient het tot het faillissement behorend vermogen van de failliet te verdelen met eerbiediging van ieders recht.1 Weliswaar is het uitgangspunt dat voor het slagen van een rechtsvordering uit hoofde van een goederenrechtelijk recht vereist is dat de eiser stelt en zo nodig bewijst op welk individueel bepaald goed het recht betrekking heeft, maar daar staat tegenover dat op de curator uit hoofde van zijn functie een eigen taak rust om, indien daarvoor voldoende concrete aanwijzingen zijn, duidelijkheid te verkrijgen ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van goederenrechtelijke rechten van derden (zoals eigendomsvoorbehouden en pandrechten).2 In het geval er een reëel vermoeden bestaat dat een derde een goederenrechtelijk recht heeft met betrekking tot een of meer tot de boedel behorende goederen, is het de curator niet toegestaan om ten gunste van de overige (boedel)schuldeisers te trachten de rechten van deze derde te frustreren door medewerking aan de vaststelling van diens recht te weigeren.3
Indien de cessionaris/pandhouder een cessie- of pandakte kan overleggen waaruit blijkt dat de failliet voor zijn faillietverklaring vorderingen heeft gecedeerd of verpand, zal de curator, voor zover hij over voldoende aanknopingspunten beschikt en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, moeten nagaan om welke vorderingen het gaat. De curator moet bij de verdeling van de door de vorderingen gegenereerde opbrengst immers rekening houden met de rechten van een cessionaris of een pandhouder. Zo levert de verklaring in een cessie- of pandakte dat “alle” bestaande en toekomstige vorderingen worden gecedeerd of verpand, mijns inziens voor een curator een voldoende concrete aanwijzing op om aan de hand van de administratie van de failliet te achterhalen op welke individuele vorderingen de cessie of verpanding precies betrekking heeft. Hetzelfde geldt indien de cessionaris of pandhouder een gegevensdrager (computerlijst, CD-rom) overlegt waarop vorderingen staan vermeld. Ook in geval van een onjuiste of ontoereikende omschrijving van de vordering in de akte of de gegevensdrager, kunnen er voor de curator voldoende aanknopingspunten zijn om aan de hand van de boekhouding nader onderzoek te verrichten. De kosten die hiermee gemoeid zijn, komen naar mijn mening in beginsel gewoon voor rekening van de boedel. Het betreft immers kosten die door de curator in het kader van het beheer en de vereffening van de boedel worden gemaakt.
Het voorgaande sluit aan bij het arrest Wagemakers q.q./Rabobank Roosendaal waarin de Hoge Raad overweegt dat ook van een juiste aanduiding van een vordering in een pandakte nauwelijks kan worden verwacht dat zij aan de pandhouder voldoende duidelijk maakt welke vordering de pandgever daarmee precies op het oog heeft gehad, zonder dat de pandgever hem achteraf aan de hand van zijn administratie daartoe de nodige nadere gegevens verschaft.4 Mede om deze reden zou moeten worden aangenomen, dat een onjuiste aanduiding van een vordering in de akte, er niet aan in de weg staat dat achteraf aan de hand van objectieve gegevens mag worden vastgesteld om welke vordering het gaat. Het ligt in de lijn van deze overweging van de Hoge Raad om aan te nemen dat de faillissementscurator gehouden is om medewerking te verlenen aan de vaststelling van de verpanding of de cessie bijvoorbeeld door de pandhouder/cessionaris inzage te geven in de administratie van de failliet. Een ander oordeel zou ernstig afbreuk kunnen doen aan de figuur van de verpanding en cessie en aan de waarde van vorderingen als objecten van zekerheidverschaffing of (her) financiering. De pandhouder of cessionaris zou in veel gevallen zijn recht immers alleen dan met zekerheid kunnen bewijzen, indien hij nauwkeurig een schaduwadministratie bijhoudt.
833. Eisen die aan het bewijs van een globale cessie/verpanding dienen te worden gesteld. In § 8 is gebleken dat voor een geldige cessie en verpanding kan worden volstaan met een generieke omschrijving van de vorderingen in de akte. Door een dergelijke omschrijving kunnen de vorderingen voldoende worden bepaald in de zin van art. 3:84 lid 2 BW. Dit roept de vraag op of aan het bewijs van de cessie of het pandrecht strengere eisen moeten worden gesteld dan aan de mate van bepaaldheid van de levering of de vestiging van het pandrecht. Mijns inziens kan deze vraag in beginsel ontkennend worden beantwoord. Indien een stil pandrecht tot uitgangspunt wordt genomen, dan staat, mits aan alle overige vereisten voor een geldige stille verpanding is voldaan, met de generieke omschrijving van de vorderingen in de pandakte vast, dat de pandhouder een pandrecht heeft verkregen op de vorderingen die ten tijde van de verpanding al bestonden, alsmede op de vorderingen die rechtstreeks zijn verkregen uit ten tijde van de verpanding reeds bestaande rechtsverhoudingen (vgl. art. 3:239 lid 1 BW). Ook in het faillissement van de pandgever staat daarmee vast, dat als dergelijke vorderingen ten tijde van de faillietverklaring (nog) tot het vermogen van de failliet behoren, deze zijn bezwaard met een pandrecht, zodat de curator daarmee rekening dient te houden. De pandhouder is ten opzichte van de faillissementscurator niet tot meer bewijs van zijn pandrechten gehouden.5 De taak van de curator van beheerder en vereffenaar van de boedel brengt met zich dat de curator aan de hand van de administratie van de failliet dient na te gaan welke vorderingen precies onder het pandrecht vallen. De pandhouder hoeft deze vorderingen niet individueel te kunnen aanwijzen. Mocht het niettemin tot een geschil in rechte komen dan kan ook de curator krachtens art. 162 Rv door de rechter worden verplicht tot openlegging van de administratie van de failliet, zodat alsnog in rechte kan worden vastgesteld welke vorderingen precies in de cessie of de verpanding zijn begrepen.
834. Art. 3:15j BW. Voorts rijst de vraag of de cessionaris of pandhouder inzage kan vorderen in de administratie van de failliet op grond van art. 3:15j BW. 6 Dit artikel bepaalt dat openlegging van een administratie gevorderd kan worden door onder andere schuldeisers in faillissement, mits zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang hebben (art. 3:15j (d) BW). Op het eerste gezicht zou men geneigd zijn de vraag zonder meer bevestigend te beantwoorden. De cessionaris of pandhouder heeft er immers belang bij dat hij toegang heeft tot voldoende gegevens om zijn recht te kunnen bewijzen en te kunnen uitoefenen. Men zou menen dat dit een “rechtstreeks en voldoende belang” oplevert als in de bepaling bedoeld. Aldus oordeelde het hof ’s-Gravenhage met betrekking tot verpanding.7
Niettemin hebben het hof Amsterdam en het hof Arnhem de bepaling – overigens in verband met andere vragen als hier aan de orde – restrictief uitgelegd.8 Volgens het hof Amsterdam is de strekking van art. 3:15j (d) BW primair “om te verzekeren dat de vordering van de crediteur ten tijde van het faillissement op de juiste hoogte en in de juiste hoedanigheid komst vast te staan”.9 De eis dat de schuldeiser een “rechtstreeks en voldoende belang” heeft bij de vordering tot openlegging, moet volgens het hof aldus worden uitgelegd dat de schuldeiser openlegging van de administratie vordert teneinde bewijs te kunnen vergaren over de “omvang of hoedanigheid” van zijn vordering.10 Het hof Arnhem heeft in vergelijkbare zin geoordeeld. Art. 3:15j (d) BW zou er in beginsel toe strekken “de rechtsverhouding van de crediteur met de gefailleerde vennootschap vast te stellen”.
Het is niet duidelijk hoe ruim een en ander mag worden opgevat. Is daaronder ook een openlegging van de administratie te begrijpen om te kunnen vaststellen of er voorrang aan de vordering van de schuldeiser is verbonden omdat zij is versterkt met een pandrecht of om te kunnen vaststellen welke vorderingen in een cessie zijn begrepen? Het is verdedigbaar dat dit eveneens de “hoedanigheid” van de vordering dan wel de “vaststelling van de rechtsverhouding” met de failliet betreft. Anderzijds kan echter ook worden betoogd dat het de pandhouder en de cessionaris niet is te doen om het vaststellen van de “omvang of hoedanigheid” van zijn vordering op de failliet als zodanig of om het vaststellen van een met de failliet bestaande rechtsverhouding.11 Het gaat strikt genomen immers niet om het vaststellen van de inhoud van bepaalde aanspraken jegens de failliet. Het opvragen van de adresgegevens van de schuldenaren teneinde de verpanding of cessie te kunnen mededelen en tot rechtsuitoefening over te gaan, heeft in ieder geval geen betrekking op de vaststelling van een met de failliet bestaande rechtsverhouding. Voor de cessionaris geldt bovendien in veel gevallen dat hij geen schuldeiser van de failliet (meer) is.12
Naar mijn mening dient de restrictieve invulling die het hof Amsterdam en het hof Arnhem aan art. 3:15j BW hebben gegeven, te worden afgewezen.13 De door de hoven aangebrachte beperking op het recht op openlegging van de administratie van de failliet, blijkt noch uit de tekst van de bepaling, noch uit de toelichting daarop.14 Hoewel de tekst van de bepaling anders lijkt te suggereren, zou de opsomming van belanghebbenden in art. 3:15j BW volgens de toelichting geen limitatief karakter hebben.15 De toelichting lijkt ervan uit te gaan dat in beginsel elk belang van welke aard dan ook, een openlegging van de administratie kan rechtvaardigen. Ook de cessionaris, die in de regel geen schuldeiser van de failliet (meer) is, kan dus een beroep op de bepaling doen. Het enige waar het om gaat is dat de verzoeker bij de openlegging een “rechtstreeks en voldoende” belang heeft.16
Of een “rechtstreeks en voldoende belang” aanwezig is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Er dient een afweging plaats te vinden tussen enerzijds de belangen van de verzoeker bij openlegging van de administratie en anderzijds de bezwaren die daaraan voor de wederpartij zijn verbonden (i.c. de failliet, de failliete boedel en de daarbij betrokkenen).17 De aard en inhoud van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding zal daarbij een belangrijke rol kunnen spelen. Van de omstandigheden van het geval hangt ook af op welke wijze en in welke omvang de openlegging zal moeten geschieden: door het verlenen van gehele of gedeeltelijke inzage, door het verschaffen van een uittreksel of anderszins.18
Artikel 3:15j (d) BW is derhalve niet beperkt tot het geval van een schuldeiser die tijdens het faillissement openlegging van de administratie vordert teneinde het bestaan of de omvang van zijn vordering te kunnen vaststellen. Elk belang van der schuldeiser kan onder omstandigheden een openlegging van de administratie rechtvaardigen. Wel zullen de paritas creditorum en het belang van een goed boedelbeheer in de belangenafweging dienen te worden betrokken.19
Voor wat betreft de hier aan de orde gestelde vraag kan naar mijn mening in de regel worden aangenomen dat zowel de cessionaris als de pandhouder in beginsel een rechtstreeks en voldoende belang heeft bij openlegging van de administratie van de cedent/pandgever. Het “rechtstreeks en voldoende belang” blijkt uit het feit dat de cessionaris en pandhouder zonder gegevens uit de administratie niet in staat zijn hun recht te bewijzen en/of uit te oefenen (met als gevolg dat de opbrengsten van de vorderingen mogelijk ten onrechte in de boedel vloeien) en uit het feit dat de rechtsverhouding tussen de cessionaris/pandhouder en de cedent/pandgever de laatstgenoemde in de regel tot het verschaffen van de benodigde gegevens verplicht. Het verzoek tot openlegging houdt direct verband met de rechtspositie die de cessionaris of de pandhouder ten opzichte van de boedel inneemt (separatist of niet). Het feit dat de cessionaris/pandhouder openlegging van de administratie wenst om te kunnen bewijzen op welke vorderingen zijn recht betrekking heeft, zodat strikt genomen nog niet vaststaat of hij wel cessionaris/pandhouder is, doet aan zijn gerechtvaardigde belang bij de openlegging niet af. Wel zal hij een door de cedent/pandgever ondertekende cessie/pandakte moeten kunnen overleggen.
Zoals vermeld, wordt de hier ten aanzien van het informatierecht verdedigde ruime opvatting van art. 3:15j BW, wat betreft verpanding gevolgd in een arrest van het Hof ’s-Gravenhage.20 De Hoge Raad heeft zich nog niet over de kwestie gebogen.21 Wel heeft de Hoge Raad in het arrest Funds/Curatoren Jomed II geoordeeld dat art. 3:15j (d) BW slechts betrekking heeft op de boekhouding van de failliet voor zover deze ziet op het tijdperk tot aan diens faillietverklaring en niet ook op de door de curator gevoerde boekhouding van het beheer en de vereffening van de failliete boedel.22