Biases in de boardroom en de raadkamer
Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/1.5:1.5 Begripsbepalingen
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/1.5
1.5 Begripsbepalingen
Documentgegevens:
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111404:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Waar ik in deze dissertatie de mannelijke aanspreekvorm hanteer, doel ik eveneens op het vrouwelijke en het onzijdige geslacht. Hierbij merk ik op dat dit een lastige keuze is geweest. Zeker gelet op de strekking van hoofdstuk 3 van mijn dissertatie en de invloed van implicit gender bias die ik door het kiezen van de mannelijke aanspreekvorm benadruk. Ik heb dan ook overwogen te kiezen voor bijvoorbeeld de vrouwelijke aanspreekvorm. De reden dat ik hiervoor niet heb gekozen, is dat de mannelijke aanspreekvorm in ieder geval in de juridische praktijk, wetteksten en de wetenschap de norm is en ik door het maken van een andere keuze de lezer niet wil afleiden van de inhoud van mijn betoog.
Niet-Nederlandse begrippen cursiveer ik enkel de eerste keer dat ik het begrip noem.
Met ‘boardroom’ doel ik op de taakuitoefening van bestuurders en commissarissen in brede zin. Ik doel niet slechts op de taken die bestuurders en commissarissen in letterlijke zin in de fysieke bestuurskamer uitoefenen (bijvoorbeeld tijdens vergaderingen), maar evenzeer op de taken die zij buiten de vergadering uitvoeren, de informele overlegmomenten en de dagelijkse gang van zaken.
Met ‘raadkamer’ doel ik op de rechterlijke oordeelsvorming over kwesties aangaande bestuurders en commissarissen, zowel in het kader van de aansprakelijkheidsprocedure als in het kader van de enquêteprocedure. Op dezelfde wijze geldt hier dat ‘raadkamer’ niet slechts betrekking heeft op de oordeelsvorming in de fysieke raadkamer, maar ook op de oordeelsvorming tijdens het lezen van het dossier, de voorbereiding van de zitting, het concipiëren van de rechterlijke uitspraak, het beoordelen van de conceptuitspraak van een collega, et cetera.
In deze dissertatie gebruik ik de termen ‘rvb’, raad van bestuur, en ‘rvc’, raad van commissarissen. Met rvb doel ik op het statutair bestuur van de (beursgenoteerde) NV of BV in de zin van Boek 2 BW. Met rvc doel ik op de statutaire raad van commissarissen van de (beursgenoteerde) NV of BV in de zin van Boek 2 BW.
Als ik spreek over respondenten doel ik op de deelnemers aan mijn empirisch onderzoek. Zie par. 1.4 en bijlage 1.
Bijlage 2 bevat een uitgebreide verklarende woordenlijst van de niet-juridische begrippen die ik in deze dissertatie gebruik.