Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/2.6
2.6 Conclusie en vooruitblik
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608322:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR 15 januari 1991, NJ 1991/668, m.nt. Corstens; HR 13 november 2002, NJ 2002/261, m.nt. Mevis (met nadere verwijzingen in de noot); zie ook Krabbe 1995, p. 102-103; Van Dorst 2015, p. 148; De Hoge Raad laat deze cassatieberoepen toe, ook als dat in het nadeel van de verdachte uitpakt, zie bijv. HR 16 februari 1993, AA 1993, p. 491-496, m.nt. De Hullu; HR 30 augustus 2005, NJ 2005/540; anders daarover: Van Dorst 2015, p. 148.
HR 22 juni 1982, NJ 1983, 73; zie voorts HR 29 maart 1983, NJ 1983, 482, m.nt. ‘t Hart; HR 23 oktober 1984, NJ 1986/8, m.nt. Keijzer; HR 12 februari 1985, NJ 1985, 60, waarover Van der Horst 1985. Zie voorts Hof ‘s-Hertogenbosch 30 november 2007, NJFS 2008/9, waarin materieel vooral het beginsel van evenredige belangenafweging aan de orde lijkt.
Vgl. HR 6 november 2012, NJ 2013/109, m.nt. Schalken; zie ook, onder meer voor de gelijkstelling van het verbod van willekeur en het genoemde beginsel, HR 2 juli 2013, NJ 2013/563, m.nt. Van Kempen.
Paragraaf 2b.
In dit hoofdstuk is duidelijk gemaakt dat het begrip ‘verlofstelsel’ in de literatuur op diverse tegenstrijdige manieren wordt gedefinieerd. Verschil van opvatting bestaat over of een verlofstelsel draait om de vraag of een beroep in behandeling zal worden genomen, of het (inhoudelijk) beoordeeld zal worden, of op het beroep een inhoudelijke beslissing zal worden genomen, dan wel of toegang tot beroep kan worden verkregen? En onduidelijk is verder of de beroepsrechter daarover beslist op basis van enige verlofmaatstaf, zelf bepaalt of behandeling etc. plaatsvindt, of een verlofstelsel vooral wordt gekenmerkt door afgescheiden en voorafgaande beslissing over de behandeling etc. van het beroep? De in paragraaf 3 van dit hoofdstuk besproken definities van het begrip verlofstelsel geven op deze vragen geen eenduidig antwoord. Deze conceptuele verwarring is problematisch, omdat het risico bestaat dat commentatoren langs elkaar heen praten. Ook voor beantwoording van de hoofdvraag van dit boek in hoeverre verlofstelsels toelaatbaar zijn onder het verdragsrecht, is een duidelijke definitie essentieel.
Als eerste stap op weg naar opheldering van dit conceptuele probleem, is in dit hoofdstuk ervoor gekozen een verlofstelsel te definiëren in termen van beroepsspecifieke voorvragen, in het bijzonder de ontvankelijkheid van een hoger beroep of cassatieberoep. Een eerste kenmerk van verlofstelsels is dus dat daarin over de ontvankelijkheid van het beroep wordt beslist. Een tweede stap is gezet door drie verlofachtige aspecten van toegangs- of ontvankelijkheidsbeoordeling als zodanig centraal te stellen, te weten inhoudelijke, vrije en afgescheiden toegangsbeoordeling. Het gaat respectievelijk om de vraag of (i) de toegang tot beroep mede wordt beoordeeld op grond van een prognose van de slagingskans van het beroep; (ii) de toegang tot beroep discretionair of volgens beoordelingsvrije criteria wordt bepaald; en (iii) de toegang tot beroep wordt behandeld of onderzocht binnen een afgescheiden procedureel kader. De derde en laatste stap bestaat eruit het woord ´verlofstelsel´ als homoniem te beschouwen, dat wil zeggen als een woord dat meer dan één begrip aanduidt, namelijk zowel inhoudelijke verlofstelsels als vrije verlofstelsels. In een inhoudelijk verlofstelsel wordt binnen een afgescheiden procedureel kader beslist over de ontvankelijkheid van het beroep op grond van een prognose over de slagingskans van het beroep. In een vrij verlofstelsel wordt binnen een afgescheiden procedureel kader beslist over de ontvankelijkheid van het beroep op grond van een discretionair of beoordelingsvrij criterium.
Voor hoger beroep in strafzaken kwalificeert artikel 410a Sv op het eerste gezicht als zo’n vrij verlofstelsel. Op grond van die bepaling beslist immers een enkelvoudige opererende voorzitter in een duidelijk afgescheiden procedure of het beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt en behandeld op grond van de vraag of dat in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist. In cassatie kwalificeert artikel 80a RO op het eerste gezicht als inhoudelijk en vrij verlofstelsel. Op grond van die bepaling kan de Hoge Raad in een vereenvoudigde procedure het beroep niet ontvankelijk verklaren wanneer de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. En in zowel hoger beroep als cassatie kwalificeert ten derde het geheel aan regels omtrent het vereiste grieven respectievelijk middelen van cassatie in te dienen volgens mij als verlofstelsel. Het vereiste bezwaren in te dienen geeft op zichzelf ruimte voor inhoudelijke toegangsbeoordeling, artikel 416 Sv geeft ruimte voor vrije toegangsbeoordeling en zowel in hoger beroep als cassatie lijkt ruimte te bestaan voor afgescheiden onderzoek naar deze inhoudelijke en vrije toegangsbeoordeling.
Overige onderdelen van de Nederlandse regeling van hoger beroep en cassatie kunnen mijns inziens niet als verlofstelsel worden gekwalificeerd. De regels over het aanwenden van beroep zijn zeer precies geformuleerd en vragen de rechter niet om te anticiperen op de slagingskans van het beroep. Hetzelfde geldt voor de bagateldrempels van artikel 404 en 427 Sv, het concentratiebeginsel of de sanctionering van ontoelaatbaar partieel beroep door middel van niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Alleen enkele beginselen van een goede procesorde geven de beroepsrechter in potentie enige ruimte voor inhoudelijke of vrije toegangsbeoordeling. Het beginsel van zuiverheid van oogmerk zou bijvoorbeeld als inhoudelijke toegangsvoorwaarde kunnen functioneren, namelijk indien de beroepsrechter zorgvuldig en precies toetst of een beroep aan rechtsmiddeldoeleinden kan voldoen. De huidige rechtspraak laat echter een ander beeld zien. Het beginsel van zuiverheid van oogmerk is pas geschonden als met het beroep geen enkel relevant doel wordt gediend. Het is acceptabel dat het openbaar ministerie gewone rechtsmiddelen instelt enkel met het oog op de behartiging van belangen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling, ook al is het rechtsmiddel cassatie in het belang der wet daarvoor wellicht beter geschikt.1 Of het aanwenden van beroep wordt misbruikt voor ontoelaatbare doeleinden, wordt zeer afstandelijk beoordeeld.2 Ten tweede zou het beginsel van evenredige belangenafweging vooral als vrije toegangsvoorwaarde kunnen functioneren, namelijk indien de beroepsrechter over zou gaan tot intensieve afweging van relevante belangen bij het aanwenden van beroep. Voorbeelden van toetsing van de beslissing beroep in te stellen aan dit beginsel van evenredige belangenafweging zijn echter niet aanwezig in de gepubliceerde rechtspraak, terwijl de rechter de afweging van het openbaar ministerie tot het instellen van beroep waarschijnlijk slechts zeer beperkt kan toetsen.3 Als inhoudelijke of vrije toegangsvoorwaarde zijn de beginselen van een goede procesorde misschien op het eerste gezicht wel geschikt, maar de praktijk laat zeer terughoudende toetsing zien. Omdat de beoordeling van deze beginselen bovendien niet met afgescheiden toegangsbeoordeling wordt gecombineerd, komen de beginselen hierna niet meer aan bod. Daarnaast bestaat in het Nederlandse strafrecht geen ruimte voor ontvankelijkheidsbeoordeling door de rechter a quo of door enig ander orgaan dan de beroepsrechter zelf.4
Dit alles mondt uit de volgende vooruitblik. In de hoofdstukken 3 en 4 wordt de vraag beantwoord in hoeverre inhoudelijke en vrije verlofstelsels in strafzaken toelaatbaar zijn onder het mensenrecht op beroep uit artikel 14 lid 5 IVBPR en artikel 2 Zevende Protocol EVRM én het recht op een eerlijk proces uit artikel 6 EVRM. In de hoofdstukken 5, 6 en 7 komt aan de orde in hoeverre verlofstelsels in Nederlandse strafzaken aan de internationale vereisten voldoen. Eerst wordt in hoofdstuk 5 het ‘bezwaarvereiste als verlofstelsel’ behandeld. In hoofdstuk 6 staat het verlofstelsel van artikel 410a Sv centraal. Het verlofstelsel van artikel 80a RO komt in hoofdstuk 7 aan bod.