Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/5.5.1
5.5.1 Schenkingsrecht
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS497647:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
J.J.M. Jansen, Belastingheffing van coöperaties en haar leden (FM nr. 80), Deventer: Kluwer 1996, p. 205-206 past deze bij de omzetting van een stichting in een BV geldende argumenten eveneens toe bij de omzetting van een coöperatie, waarbij het vermogen zich bevindt ‘in de dode hand’, in een BV.
Zie over de vereisten voor een schenking H. Schuttevâer & J.W. Zwemmer, De Nederlandse succesie-wetgeving (Fiscale Hand- en Studieboeken), Deventer: Kluwer 1998, p. 142.
In het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 merkt de staatssecretaris op dat een eventuele vermogenstoename bij de omzetting van een rechtspersoon door het ontstaan of wijziging van de deelgerechtigdheid zijns inziens onder andere in de heffing van schenkingsrecht kan worden betrokken (zie par. 5.3.2.7). Hoewel een dergelijke vermogenstoename aan de orde is indien een lid pas als aandeelhouder wordt gerechtigd tot het vermogen van de in een BV omgezette coöperatie, lijkt mij de aanwezigheid van een schenking in de zin van art. 1 onderdeel 3 SW 1956 bij deze omzettingsvariant uitgesloten. De redenen hiervoor zijn dezelfde als bij de omzetting van een stichting in een BV (zie par. 4.2.4.1 hiervóór): zowel een verarming als het element van vrijgevigheid ontbreekt.1 Voorts vraag ik mij af of de vermogenstoename wel kan worden aangemerkt als een voor de aanwezigheid van een schenking vereiste verrijking.2 Anders dan de vermogenstoename die zich kan voordoen bij de omzetting van een stichting in een BV, vloeit de vermogenstoename bij de omzetting van een coöperatie in een BV voort uit het lidmaatschap. In de waarde van het ‘stemrecht-lidmaatschap’ is vanzelfsprekend altijd al de kans begrepen dat door een statutenwijziging van de coöperatie of door omzetting van de coöperatie in een BV het lidmaatschapsrecht ‘uitgroeit’ tot een recht op het vermogen van de coöperatie respectievelijk een aandeel dat recht geeft op de in een BV omgezette coöperatie. Het feit dat die kans werkelijkheid wordt, lijkt mij niet als een onderdeel van het schenkingsbegrip deel uitmakende verrijking te kunnen worden getypeerd.
Voor de goede orde merk ik op dat de door mij in paragraaf 4.2.4.1 bepleitte in art. 1 lid 3 SW 1956 op te nemen fictie die een verarming stipuleert bij de omzetting van een rechtspersoon op de voet van art. 2:18 BW, géén schenking tot gevolg heeft in de situatie waarin een lid pas als aandeelhouder wordt gerechtigd tot het vermogen van de in een BV omgezette coöperatie. Daarvoor is immers ook de aanwezigheid van vrijgevigheid van de in een BV omgezette coöperatie en een verrijking van het voormalige lid thans aandeelhouder vereist (en die ontbreken beiden). Bovendien wijs ik erop – ter vermijding van misverstanden – dat de omzetting van een coöperatie in een BV eveneens geen schenking impliceert van de coöperatie aan de BV. Dit vanwege het behoud van rechtspersoonlijkheid ex art. 2:18 lid 8 BW: van een vermogensovergang van de coöperatie naar de BV is geen sprake. De door mij bepleitte in art. 1 lid 3 SW 1956 op te nemen fictie die een verarming stipuleert bij de omzetting van een rechtspersoon, heeft dus ook geen schenking tot gevolg van de coöperatie aan de BV.