Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/10.2.1
10.2.1 Het materiële recht
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS500862:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Uit angst voor `disputes about the meaning and application of the clause to particular marketing practices, with the result the enforcement would become bogged down in litigation and become impracticable': Collins 2004, p. 26-27.
Weatherill 2003, p. 4-5 en 9-10: 'Indeed the English judiciary steadfastly avoids any such rationalisation, either rhetorically or in substance.'
Weatherill 2003, p. 13-14 en 16.
Weatherill 2003, p. 14. Zie ook Janssen 2008, nr. 51.
Weatherill 2003, p. 6.
Door de ervaring met de `reasonablenesstese en de goede trouw uit resp. de UCTA 1977 en de UTCCR 1994 en 1999, heeft het Engelse recht wel al een deel van de weg naar een `duty to trade fairly' afgelegd: Bradgate, Brownsword en Twigg-Flesner 2003. In hun onderzoek naar de mate waarin bij de verschijning van de richtlijn reeds sprake is van een algemeen oneerlijkheidsbeginsel in het Engelse recht, komen deze auteurs tot de conclusie dat op contractueel gebied de procedural fairness' al vooropstaat, terwijl `substantive fairness' wat langzamer tot ontwikkeling komt.
Zie over de piecemear ontwikkeling van het goede trouw-beginsel: Weatherill 2003, p. 14-17.
1...) no current legislation, including the Enterprise Act, contains any test of 'reasonableness' for the purposes of commercial practices, although under Pan 8 of the Enterprise Act, unlawful conduct must have the potential to harm the collective interests of consumers for action to be taken by enforcers to curtail such conduct': compilatie van de vragenlijsten inzake de in het nationale recht beschikbare middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, http://ec.europa.eu/consumers/cons_int/safe_shop/fair_bus_practinat/nat_exp/nat_law_comp1_2_disclaim_en.pdf_p_13.
De meeste wettelijke bepalingen zijn als gevolg van de implementatie van Europese richtlijnen ontstaan. Dit verklaart ook hun specifieke karakter. Het Europees consumentenrecht volgt ook grotendeels een piecemear - benadering.
Ondertussen geamendeerd door de CMAR 2000 en 2003.
Een regeling inhoudende de verplichting om de prijzen van gerechten en dranken bij de ingang van een horecagelegenheid te vermelden.
In gelijke zin: Weatherill 2003, p. 19.
616. In het Engelse recht bestond, voorafgaand aan de richtlijn, geen gecodificeerde op oneerlijke handelspraktijken gerichte regeling inhoudende een algemeen verbod. Hoewel in de jaren tachtig hiertoe in Engeland voorstellen zijn gedaan, is uiteindelijk afgezien van een wettelijk vastgelegde algemene oneerlijkheidsnorm.1 Het Engelse recht kende evenmin een open norm met een strekking die vergelijkbaar is met die van een algemeen verbod op oneerlijke praktijken (of gebod van eerlijke handel): het behelsde geen gecodificeerde algemene norm (zoals de onrechtmatige daad of goede trouw) waaruit overkoepelende beginselen van open en eerlijke handel en/of eerlijke concurrentie werden afgeleid.2 Aan de veelheid aan bijzondere, op specifieke typen praktijken toegespitste regelingen, die het Engelse handelspraktijkenrecht kenmerkte, lag geen algemeen eerlijkheidsbeginsel ten grondslag.3
Er zijn in het Engelse recht weinig bepalingen of leerstukken die, qua strekking, een zekere mate van overlap vertonen met een beginsel van eerlijke handel. De common law behelst bijvoorbeeld geen algemene informatieplicht.4 De eerlijkheid van handelspraktijken wordt slechts in beperkte mate gewaarborgd door de nogal hoogdrempelige leerstukken van 'ton' en 'breach of contract' .5 Het beginsel van 'fair and open dealing', dat binnen het contractenrecht een snelle ontwikkeling heeft doorgemaakt, vormt mogelijk een uitzondering.6 De toepasselijkheid van het beginsel van 'fair and open dealing' beperkt zich echter tot de `legal context' van het opnemen van algemene voorwaarden in een contract (par. 10.3.2).7 De Enterprise Act 2002 bevat een bepaling die qua strekking de meeste overlap vertoont met een beginsel van eerlijke handel. S. 211 Part 8 verleent de toezichthouder (de OFT en de ruim tweehonderd Weights and Measures authorities ofwel Trading Standards) de bevoegdheid om een verbodsprocedure in te stellen tegen praktijken die de collectieve belangen van consumenten schenden. Door haar brede reikwijdte en haar focus op de economische belangen van consumenten toont deze bepaling overeenkomsten met de algemene richtlijnnorm.8 S. 211 bevat, anders dan de richtlijn, echter een limitatieve opsomming van de typen praktijken waartegen kan worden opgetreden.
Het materiële handelspraktijkenrecht bestaat in Engeland uit, op specifieke handelspraktijken en gedragingen gerichte, regelgeving (Acts en Statutory instruments) en levert een versnipperd beeld op.9 Onder de Acts of Parliament (wet in formele zin) vindt men de Trade Descriptions Act 1968 (TDA 1968) en onder de wet in materiële zin de regelgeving ter omzetting van de Richtlijn misleidende reclame (de Control of Misleading Advertising Regulations 1988 ofwel CMAR 1988)10 en de Price Marking (Food and Drink) Order.11 Deze regelingen bevatten open normen en begrippen. De Engelse toezichthouders, zelfregulerende instanties en rechters hebben dus ruime ervaring met open, flexibele normen.12