Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg
Einde inhoudsopgave
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/6.4.5:6.4.5 Overzicht gezichtspunten rechtspraak
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/6.4.5
6.4.5 Overzicht gezichtspunten rechtspraak
Documentgegevens:
Mr. N. Jansen, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. N. Jansen
- JCDI
JCDI:ADS398275:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de rechtspraak volgt dat de statutaire doelstelling van een vakbond in relatie tot de werkingssfeer van de cao een belangrijk aspect is bij de beoordeling van de mate waarin een vakbond representatief is. Een vakbond die opkomt voor de belangen van vliegers kan niet representatief zijn voor grondpersoneel en voor deze groep werknemers kan de vakbond dan ook geen cao aangaan. Een ander aspect van dit zogenoemde statutaire representativiteitscriterium is, dat categorale vakbonden, dat wil zeggen vakbonden die slechts opkomen voor de belangen van een specifieke groep werknemers, in het cao-overleg niet snel representatief worden geacht zodra een cao weliswaar ziet op deze specifieke groep werknemers, maar daarnaast betrekking heeft op andere groepen werknemers. Een categorale vakbond kan dus heel representatief zijn voor de groep werknemers wier belangen hij beoogt te behartigen maar kan tegelijkertijd in het cao-overleg als onvoldoende representatief worden beoordeeld. Of van dat laatste sprake is, is mede afhankelijk van de omvang van de verschillende betrokken werknemersbelangen (hoeveel groepen werknemers zijn er?), de verhouding tussen de verschillende werknemersbelangen, de absolute organisatiegraad van de categorale bond en de organisatiegraad van de andere bij het overleg betrokken vakbonden en hun doelstellingen.
Uit de rechtspraak over representativiteitseisen van vakbonden in het kader van de toelating tot het cao-overleg of algemene gelding van de cao, komt verder het beeld naar voren dat de absolute organisatiegraad en de organisatiegraad van een vakbond ten opzichte van andere betrokken vakbonden (relatieve organisatiegraad) doorslaggevende criteria zijn op basis waarvan de representativiteit van een vakbond wordt beoordeeld. Een vakbond met een lage organisatiegraad wordt niet snel representatief geacht. Duidelijke grenzen worden daarbij echter niet gesteld. Een organisatiegraad van 20% is veelal voldoende om als representatief te kwalificeren, ongeacht de organisatiegraad van andere vakbonden. Dit sluit ook aan bij de toelichting bij aanbeveling 3.7 van de oude aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters. Wanneer de absolute organisatiegraad onder de 20% ligt, hangt het veelal van de organisatiegraad van andere vakbonden af of een vakbond niettemin als representatief kwalificeert. Zelfs een percentage van 15% kan onvoldoende zijn wanneer een andere betrokken vakbond een hele hoge organisatiegraad heeft. Voorts verdient opmerking dat ook meerdere vakbonden tezamen kunnen kwalificeren als representatieve woordvoerder van de groep werknemers die zij gezamenlijk beogen te vertegenwoordigen.
Voorts is in de lagere rechtspraak wat de beoordeling van de representativiteit van een vakbond betreft naast de absolute en relatieve organisatiegraad (en de spreiding van het ledenbestand) verwezen naar de door de SER in dit kader geformuleerde gezichtspunten. Dat zijn: de bestendigheid van een vakbond en de organisatievorm, de inspraak van leden op de besluitvorming, de onafhankelijkheid en financiële draagkracht. Voorts verwees de Kantonrechter Utrecht naar de criteria die in de Wmco zijn opgenomen. Dit zijn: in hoeverre een vakbond in de onderneming werkzame personen onder haar leden telt, krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van haar leden als werknemers te behartigen, als zodanig in de betrokken onderneming of bedrijfstak werkzaam is, ten minste twee jaar in het bezit is van rechtspersoonlijkheid en als zodanig aan de werkgever bekend is.
Tot slot verdient de draagvlakbenadering bijzondere aandacht. Deze benadering brengt mee dat de mate van representativiteit van een vakbond mede kan worden bepaald op basis van de mate waarin het resultaat dat deze vakbond tot stand brengt breed gedragen wordt. Daarbij gaat het dan eigenlijk niet meer over de representativiteit van de vakbond maar over de representativiteit van de cao. In paragraaf 3.6 besprak ik dat in het SER-advies over de verbreding van het draagvlak van cao-afsprakensteun kan worden gevonden voor het belang van draagvlak als element bij de beoordeling van de representativiteit van organisaties. De SER heeft in zijn advies immers benadrukt dat vakbonden hun legitimiteit (lees: de bevoegdheid namens en voor werknemers arbeidsvoorwaarden uit te onderhandelen) naast ledental ontlenen aan de maatschappelijke acceptatie en het vertrouwen dat zij genieten. Daarvoor is de waardering van de cao-afspraken van groot belang. Als het resultaat van het cao-overleg op een groot draagvlak kan rekenen, zijn de onderhandelende organisaties er kennelijk in geslaagd voldoende rekening te houden met de verschillende betrokken belangen. Het draagvlak van cao-afspraken is daarmee een indicatie dat de onderhandelende organisaties kunnen worden aangemerkt als betrouwbare of gezaghebbende woordvoerder(s) van wat er leeft onder de groep van personen, niet noodzakelijk leden, die zij heet te vertegenwoordigen. De draagvlakbenadering als criterium voor de beoordeling van de representativiteit van een vakbond verdient nog een aantal opmerkingen. In de eerste plaats is deze benadering in de rechtspraak niet onbetwist. In de tweede plaats is bij de draagvlakbenadering (net als bij de organisatiegraad) vooraf niet goed te zeggen bij welk percentage van de betrokken werknemers het resultaat op een voldoende draagvlak kan rekenen om te kwalificeren als voldoende representatief. Relevant daarbij is met name de mate waarin het draagvlak gespreid is over de verschillende groepen werknemers. Bij een homogene groep werknemers kan aansluiting worden gezocht bij het meerderheidsvereiste van het Toetsingskader AVV (waarop de draagvlakbenadering lijkt) en dan volstaat in beginsel een percentage van 60%. Wanneer de groep werknemers waarop de cao betrekking heeft heel verschillend qua samenstelling is, dan dient het draagvlak voldoende gespreid te zijn over al deze groepen en kan dus ook een hoger of misschien zelfs lager percentage volstaan. In de laatste plaats verdient opmerking dat wanneer de draagvlakbenadering in de rechtspraak als criterium wordt gebruikt bij de beoordeling van de representativiteit, dat het dan veelal als aanvullend criterium wordt gebruikt, omdat op basis van andere criteria, zoals de absolute organisatiegraad, niet kan worden vastgesteld dat een vakbond representatief is.