Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/3.2.2
3.2.2 Jurisprudentie en literatuur
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708375:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 februari 1995, NJ 1996/472, r.o. 3.5.
HR 19 april 1996, NJ 1996/727, r.o. 3.5.2 en 3.6.
HR 19 december 2003, NJ 2004/293 (Curatoren Mobell/Interplan), r.o. 3.5.2.
Zie ook HR 29 mei 2020, NJ 2020/235 (Heiploeg), r.o. 3.5.1 en 3.6.4 en HR 24 april 2020, NJ 2020/291, r.o. 4.2.5. In paragraaf 3.2.6 wordt nader ingegaan op deze uitspraken.
Zo expliciet C.M. van der Heijden in zijn annotatie bij Sigmacon II in Bb1995, afl. 8, p. 72. Minder expliciet zijn W.M. Kleijn in zijn annotatie onder Sigmacon II in NJ 1996/472 en Vriesendorp, TvI 1995, afl. 5. Zie hierover ook De Ranitz 1996, p. 196-199.
O.a. Verstijlen 1998, p. 155-160; Van Hees, TvI 2004/45; Huydecoper 2007 en Wessels Insolventierecht IV 2020/4223.
Spinath is dit wel van mening en meent, in afwijking van de jurisprudentie van de Hoge Raad, dat de curator maatschappelijke belangen in het geheel niet zou mogen meewegen bij het vervullen van zijn taak (Spinath 2007).
Van Hees, TvI 2015/1; Van Hees, AA 2007, afl. 7/8, p. 621; Van Hees, TvI 2004/45.
Kemp 2015.
Vriesendorp, TvI 1996, afl. 5, p. 141-142; Huydecoper 2007, p. 10; Van Zanten, Bb 2008/28; Oppedijk van Veen & Leferink 2019, p. 193-194; Wessels Insolventierecht IV 2020/4223; J.M.W. Pool, TvI 2022/20. Zie ook haar naschrift in TvI 2022/28 op de reactie van M. van Eekelen-Atema in TvI 2022/27. Anders: Spinath 2007, waarin wordt gesteld dat de curator maatschappelijke belangen in het geheel niet zou moeten meewegen bij het vervullen van zijn taak. Franken lijkt hetzelfde te bepleiten als Spinath in Franken 2022, p. 79-96, waar hij op pagina 91 stelt dat het niet zijn voorkeur heeft dat de curator rekening zou moeten houden met maatschappelijke belangen.
Verstijlen 1998, p. 153, Huydecoper 2007, p. 10 en Wessels Insolventierecht IV 2020/4223.
Wessels 2008.
Zie Wessels Insolventierecht IV, 2020/4224b, inclusief verdere verwijzingen.
Uit de arresten Sigmacon II,1Maclou/Curatoren van Schuppen2 en Curatoren Mobell/Interplan3 volgt dat de curator ook rekening behoort te houden met belangen van maatschappelijke aard zoals continuïteit van de onderneming en het hiermee gepaard gaande behoud van werkgelegenheid.4 Sommige auteurs zijn er kort na het wijzen van de eerste twee arresten van uitgegaan dat uit deze arresten voortvloeit dat de curator belangen van maatschappelijke aard mag laten prevaleren boven de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. De Hoge Raad zou hiermee afstand hebben genomen van het uitgangspunt dat de curator uitsluitend moet streven naar een zo hoog mogelijke opbrengst voor de schuldeisers.5 Inmiddels is de heersende opvatting in de literatuur dat uit genoemde arresten slechts voortvloeit dat de curator belangen van maatschappelijke aard boven de belangen van individuele schuldeisers mag stellen.6
Met het voorgaande staat niet vast dat de curator de belangen van de gezamenlijke schuldeisers altijd voorop moet stellen.7 Van Hees is van mening dat de curator belangen van maatschappelijke aard moet afwegen tegen de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.8 Kemp is dezelfde mening toegedaan.9 Deze gedachte is ook neergelegd in de INSOLAD Praktijkregels. In Praktijkregel 2.1 is opgenomen dat de curator de onderneming alleen voortzet als dat in het belang is van de boedel of een zwaarwegend maatschappelijk belang dat vergt. Veel auteurs nemen een ander standpunt in: de curator mag maatschappelijke belangen wel meewegen, maar daaraan geen voorrang verlenen boven de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.10 Door een aantal van deze auteurs wordt wel een uitzondering aanvaard. Ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW prevaleren belangen van maatschappelijke aard als deze onevenredig worden geschaad ten opzichte van het belang van de gezamenlijke schuldeisers. Omdat de maatschappelijke belangen alleen prevaleren als deze onevenredig worden geschaad, is de marge beperkt.11 Daarnaast bepleit Wessels doorwerking van de redelijkheid en billijkheid in het faillissement en in de taakuitoefening van de curator.12 De grond daarvoor is dat schuldeisers een zorgvuldigheidsverplichting hebben om anderen niet onnodig of onevenredig te schaden en de curator rekening moet houden met belangen die door schuldeisers zelf moeten worden gerespecteerd.13