Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.2.5.1
5.2.5.1 Standpunten voorafgaand aan de invoering van het Wetboek van Strafrecht
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946103:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Teixeira de Mattos 1877, p. 221-237.
NJV 1877, Handelingen I, p. 168-169.
NJV 1877, Handelingen II, p. 131-133.
NJV 1877, Handelingen II, p. 115-123.
Zie hierover uitgebreider hoofdstuk 2. Daarbij verdient opmerking aanwijzing van klachtdelicten niet al te consequent is omgegaan met voornoemd grondbeginsel. Zie in dit verband hoofdstuk 2, paragraaf 3.3.
NJV 1877, Handelingen II, p. 114-123.
NJV 1877, Handelingen II, p. 123-129.
Pols was overigens niet de enige die dat benoemde. Zo stelde De Pinto: “het openbaar ministerie kan niet zoo goed beoordeelen als ik, welk belang ik kan hebben, dat eene beleediging, jegens mij gepleegd, niet worde vervolgd.” Zie: NJV 1877, Handelingen II, p. 121.
NJV 1877, Handelingen II, p. 141-144.
NJV 1877, Handelingen II, p. 147-148.
In paragraaf 2.3 van hoofdstuk 2 is uitvoerig uiteengezet dat de rechtsfiguur van het klachtdelict, en het gedachtegoed dat daaraan ten grondslag ligt, ook de nodige tegenstanders kende. Met name in de periode voorafgaand aan de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 is over (het gebruik van) klachtdelicten stevig gedebatteerd. In die discussie speelde de verhouding van klachtdelicten tot het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht nadrukkelijk een rol. Zo toonde Teixeira de Mattos zich een tegenstander van klachtdelicten onder meer omdat dit soort delicten niet zou stroken met de publiekrechtelijke aard van de bestraffing. Hij erkent dat de straf van oudsher een privaatrechtelijk karakter had en diende tot herstel van de aan de benadeelde toegebrachte schade, maar benadrukt dat inmiddels met dit privaatrechtelijke karakter van de straf is gebroken. De publiekrechtelijke aard van bestraffing is op de voorgrond getreden en zijns inziens brengt dit met zich dat een vervolging alleen mag en moet plaatshebben indien het algemeen belang dat eist. Teixeira de Mattos stelde dat het klachtrecht – en de bevoegdheid om de vervolging daarmee te beïnvloeden – alleen aan burgers zou kunnen worden toegekend, indien de straf een zuiver privaatrechtelijk karakter draagt en deze ten doel heeft het nadeel van het slachtoffer te compenseren.1
In datzelfde jaar verzette Kist zich eveneens tegen klachtdelicten in zijn preadvies voorafgaand aan de jaarvergadering van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging in 1877. Hij betoogde onder meer dat het niet strookt met het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht om de vervolging van bepaalde aangewezen misdrijven afhankelijk te stellen van de enkele wil van het slachtoffer. De aard van het strafrecht brengt zijns inziens met zich dat de vervolging van elk misdrijf niet op zichzelf staat maar samenhangt met beteugeling en bestraffing van soortgelijke en andere misdrijven in het algemeen. Kist erkende dat een slachtoffer last kan ondervinden van een vervolging, maar meende dat dit niet rechtvaardigt dat vervolging afhankelijk wordt van de zienswijze van het slachtoffer. Kist concludeert dat strafbaarstelling niet is gewettigd indien het algemeen belang zo weinig is betrokken en het publiekrechtelijke karakter van de bestraffing dusdanig naar de achtergrond verdwijnt dat steeds voorrang kan worden gegeven aan het private belang. Daaraan voegt hij toe dat dit zonder meer geldt voor relatieve klachtdelicten waarbij een familieband redengevend is voor het klachtrecht. Volgens Kist wordt hierbij familierecht en publiekrecht met elkaar verward.2
Op de daaropvolgende jaarvergadering van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging onderschreef Hovy bovenvermelde zienswijze. Hovy meende dat de klacht moet worden gezien als een uitzondering op het beginsel dat de zaak wordt overgelaten aan het openbaar ministerie en dat die uitzondering in strijd is met de gehele grondslag van ons stelsel van strafvordering. De vraag of er in de Nederlandse rechtspleging een grond is om die uitzondering te handhaven, beantwoordt Hovy ontkennend. Hij concludeert dat moet worden afgezien van het invoeren van klachtdelicten, omdat gestraft zal worden waar niet gestraft moet worden en omgekeerd. Het leidt zijns inziens dus tot rechtsongelijkheid. 3
In de hiervoor weergegeven standpunten komt de soevereiniteitsgedachte van de Staat sterk naar voren en weerklinkt de in die periode sterker gevoelde tegenstelling tussen publiekrecht en privaatrecht. Op de betreffende jaarvergadering was desondanks ook een stevig tegengeluid te horen. Zo stelde De Pinto dat in alle landen die het systeem van publieke aanklacht kennen en waar een institutie zoals het openbaar ministerie bestaat, het natuurlijke uitgangspunt is dat dit orgaan van de overheid onbeperkt meester is over de publieke actie. Daaraan voegt hij vervolgens fijntjes toe dat hem geen landen bekend zijn waar die regel niet van een aantal uitzonderingen is voorzien waarbij de publieke actie afhankelijk is van een private klacht. De Pinto gaat vervolgens uitgebreider in op de vraag op grond van welk beginsel de Nederlandse wetgever klachtdelicten zou moeten aanwijzen. Hij stelt vast dat Kist verschillende argumenten ten faveure van klachtdelicten succesvol heeft bestreden, maar zijns inziens resteert er één grond. Het toevoegen van een klachtvereiste aan een delict moet mogelijk zijn voor feiten waarbij het bijzonder belang groter schade lijdt door de vervolging, dan het publiek belang door de niet-vervolging. Daarbij merkt De Pinto op dat het aan de wetgever is om te bepalen welke delicten zich voor een dergelijke afweging lenen. 4De Pinto erkent dat het publieke belang en het private belang ongelijke grootheden zijn die zich moeilijk tegen elkaar laten wegen, maar het strafrecht dient nu eenmaal rekening te houden met sociale toestanden en behoeften van zeer verschillende aard. Voornoemde redengeving sluit aan op het grondbeginsel dat later bij de stemming op de jaarvergadering als grond voor klachtdelicten zal worden aangenomen en waarop de regeling van klachtdelicten in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht blijkens de memorie van toelichting sindsdien is gestoeld.5 De Pinto weerspreekt ook de stelling van Kist dat die feiten waarbij voorrang kan worden gegeven aan private belangen geen strafrechtelijke sanctionering verdienen. De door Kist getrokken conclusie acht hij lijnrecht in strijd met de bescherming die de strafwet moet bieden. 6
Belinfante borduurt hierop voort door de vraag voor te leggen of de macht van het openbaar ministerie om te vervolgen zó absoluut dient te zijn dat individuen die bij de zaak zijn betrokken daarop geen invloed kunnen uitoefenen. Dat is volgens hem niet het geval. Ter onderbouwing van zijn zienswijze benadrukt Belinfante dat de klacht niet uitsluitend moet worden geïnterpreteerd als een zaak van individueel belang. Belinfante memoreert in dit verband dat het klachtvereiste eraan kan bijdragen dat de vrede binnen een familie bewaard blijft en dat het algemeen belang daarmee ook is gediend. Belifante zet zich dan ook stevig af tegen de stelling van Kist dat familierecht en publiekrecht met elkaar worden verward. Volgens Belinfante hebben familiebelangen wel degelijk een plaats binnen de strafrechtspleging en is de scheiding die Kist maakt tussen het burgerlijke en het publieke recht niet op goede gronden gestoeld.7
De mijns inziens meest gewichtige bijdrage tijdens de jaarvergadering is van Pols. Tegenstanders van klachtdelicten benoemden indertijd in het debat regelmatig dat het niet aan het individu moet zijn om het private tegen het publieke belang te wegen. Deze kritiek wordt door Pols op goede gronden weerlegd. Pols stelt voorop dat juist de klachtgerechtigde het private belang dat wordt geraakt door het strafbare feit en het al dan niet vervolgen daarvan kan kennen en wegen. 8Het belangrijkere aspect van de bijdrage van Pols is dat hij de kritiek weerlegt dat het individu niet in staat zal zijn het publieke belang dat bestaat bij het wél vervolgen van de dader te wegen. Pols beschrijft dat het een misvatting is dat die weging in handen van de klachtgerechtigde wordt gelegd. Het is immers de wetgever die op voorhand zal moeten vaststellen bij welke (soorten) misdrijven het private belang zo overwegend betrokken kan zijn dat dit het publieke belang dat is gelegen in de vervolging van de dader kan en mag overtreffen. Pols stelt dat de wetgever bij het aanwijzen van klachtdelicten te kennen geeft dat die feiten strafbaar worden geacht en dat het publiek belang is gebaat bij de vervolging van die feiten, maar dat tevens tot uiting wordt gebracht dat het persoonlijk belang bij het niet-vervolgen van die feiten zo groot kan zijn dat dit het publieke belang dat bestaat bij vervolging mag overschaduwen. Eerst daar – bij het door de wetgever al dan niet toevoegen van een klachtvereiste aan een strafbepaling – vindt de weging van het publieke en het private belang plaats. Pols vervolgt door erop te wijzen dat een klacht het openbaar ministerie ook niet verplicht te vervolgen. Na ontvangst van een klacht komt dit staatsorgaan een eigen afweging toe bij de beantwoording van de vraag of moet worden vervolgd of niet. Het is volgens Pols dus onjuist om te stellen dat het aanvaarden van klachtdelicten in de Nederlandse strafrechtspleging met zich brengt dat het publieke belang terzijde wordt geschoven en dat de vervolging wordt overgelaten aan private willekeur. Bij de weging van de private en publieke belangen spelen immers ook de wetgever en het openbaar ministerie nadrukkelijk een rol. 9
Tot slot verdient het standpunt van Katz aandacht. Hij stelt dat Kist ten onrechte betoogt dat klachtdelicten in strijd zijn met het principe dat de Staat vervolgt. Hoewel ik die stelling niet terugzie in de zienswijze van Kist, benadrukt Katz terecht dat de klachtgerechtigde met zijn klacht slechts de weg naar vervolging opent, maar dat het daaropvolgend aan het openbaar ministerie is om op grond van een eigen beoordeling omtrent de haalbaarheid en wenselijkheid van de vervolging al dan niet daartoe over te gaan.10 De rol van de klachtgerechtigde moet steeds worden onderscheiden van die van de vervolgende autoriteit. Daarop ziet paragraaf 3 waarin de verhouding van het klachtvereiste tot het vervolgingsmonopolie aan bod komt. De afweging die de klachtgerechtigde en het openbaar ministerie dienen te maken zijn inhoudelijk ook niet dezelfde. Daarop wordt hierna in paragraaf 4 nader ingegaan bij de bespreking van de verhouding tussen het klachtvereiste en het opportuniteitsbeginsel.