Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.6.1.1
3.3.6.1.1 Het Goldsmiths (Jewellers)-arrest
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494231:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook HvJ 24 oktober 1996, nr. C-317/94, V-N 1996/4573 (Elida Gibbs) (paragraaf 3.3.3.3).
Het gaat dus om de mate van (on)zekerheid omtrent de oninbaarheid (categorie 4) en niet om de mate van (on)zekerheid over de inbaarheid (categorie 2).
HvJ 12 oktober 2017, nr. C-404/16, V-N 2017/51.14 (Lombard) (paragraaf 3.3.1.3).
HvJ 23 november 2017, nr. C-246/16, V-N Vandaag 2017/2753 (Enzo di Maura) (paragraaf 3.3.6.2.1).
Een poging van de Commissie om art. 90 lid 2 Btw-richtlijn te stoelen op het voorkomen van misbruik werd door A-G Kokott in haar conclusie bij HvJ 23 november 2017, nr. C-246/16, V-N Vandaag 2017/2753 (Enzo di Maura) (pt. 37) van de hand gedaan.
In mijn optiek had het HvJ hier ook simpelweg kunnen volstaan met een verwijzing naar de ratio van de afwijkingsbepaling en kunnen overwegen dat het voorkomen van fraude geen legitiem argument is om van de hoofdregel af te wijken. Een fraude-argument kan naar mijn mening namelijk alleen worden ingeroepen (i) als de Btw-richtlijn daar expliciet in voorziet – hetzij in een specifieke bepaling (zie bijvoorbeeld art. 11, art. 19, art. 80 lid 1, art. 131, art. 157 lid 2 Btw-richtlijn), hetzij in een vangnetbepaling, zoals art. 395 Btw-richtlijn (welke een machtiging van de Raad vereist) – dan wel (ii) in het kader van door lidstaten in het licht van een specifieke bepaling te stellen voorwaarden (zoals art. 90 lid 1 Btw-richtlijn) (zie voorgaande paragraaf en het aldaar behandelde arrest HvJ 26 januari 2012, nr. C-588/10, V-N 2012/11.21 (Kraft Foods Polska)) en/of maatregelen ter voorkoming van fraude (ex art. 273 Btw-richtlijn). Dit laat echter onverlet dat lidstaten die op legitieme gronden afwijken van de hoofdregel, de afwijking zelf aan bepaalde modaliteiten mogen onderwerpen. Het betreft dan maatregelen of voorwaarden die specifiek betrekking hebben op de afwijking. Ik kom daarover nog te spreken.
Steun voor de opvatting dat de ratio van de derogatiebepaling moet worden gevonden in de onzekerheid omtrent de oninbaarheid van een vordering vind ik in HvJ Goldsmiths (Jewellers). In dit arrest betrof het een fabrikant van juwelen (Goldsmiths (Jewellers)), die juwelen leverde aan een klant in ruil voor reclamediensten van gelijke waarde. Echter: voordat alle reclamediensten werden verricht, raakte de klant insolvent. De vraag die opkwam was of Goldsmiths de maatstaf van heffing voor de levering van de juwelen mocht verlagen voor het corresponderende bedrag aan niet geleverde reclamediensten. Omdat in het Verenigd Koninkrijk verlaging van de maatstaf van heffing afhankelijk was van de voorwaarde dat de tegenprestatie uit geld bestond, deed Goldsmiths een rechtstreeks beroep op de richtlijnbepaling. Dit verzoek werd afgewezen, waarop in een daaropvolgende procedure de vraag aan het HvJ werd voorgelegd of een lidstaat vermindering van de maatstaf vanwege niet-betaling mag uitsluiten voor de gevallen waarin de tegensprestatie in iets anders dan geld bestaat.
In zijn arrest benadrukt het HvJ ook hier eerst dat de maatstaf van heffing bestaat uit alles wat de leverancier verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper, de ontvanger of een derde en dat dit de uitdrukking is van een fundamenteel beginsel van de Zesde richtlijn, namelijk dat de maatstaf van heffing de werkelijk ontvangen tegensprestatie is. Dit heeft volgens het HvJ tot gevolg dat de fiscus uit hoofde van de btw niet méér kan ontvangen dan de belastingplichtige heeft geïnd.1 Vervolgens overweegt het HvJ met betrekking tot art. 11 C lid 1 Zesde richtlijn (art. 90 lid 1 Btw-richtlijn):
“16. In overeenstemming met dit beginsel definieert artikel 11 C, lid 1, eerste alinea, van de Zesde richtlijn de gevallen waarin de Lid-Staten de maatstaf van heffing onder de voorwaarden die zij zelf vaststellen, moeten verlagen. Zo dwingt deze bepaling de Lid-Staten tot verlaging van de maatstaf van heffing en bijgevolg van de door de belastingplichtige verschuldigde BTW, wanneer de belastingplichtige na het sluiten van een overeenkomst de tegenprestatie geheel of gedeeltelijk niet ontvangt.
17. Artikel 11 C, lid 1, tweede alinea, van de Zesde richtlijn staat de Lid-Staten evenwel toe, in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van bovengenoemde regel af te wijken.
18. Deze afwijkingsmogelijkheid, die strikt beperkt is tot dit laatste geval, berust op de overweging, dat niet-betaling van de tegenprestatie in bepaalde omstandigheden en gezien de rechtssituatie in de betrokken Lid-Staat, moeilijk te verifiëren of slechts voorlopig kan zijn [cursivering; BH]. Bijgevolg moet gebruikmaking van deze afwijkingsmogelijkheid gerechtvaardigd zijn, willen de door de Lid-Staten ter uitvoering ervan getroffen maatregelen niet ingaan tegen het doel van fiscale harmonisatie dat door de Zesde richtlijn wordt nagestreefd.”
Hier legitimeert het HvJ de afwijkingsbevoegdheid met de overweging dat niet-betaling onder bepaalde omstandigheden moeilijk te verifiëren is of slechts voorlopig kan zijn. Een mogelijke onzekerheid over het wel of niet oninbaar zijn van de vordering wordt daarmee als ratio aangedragen om lidstaten toe te staan om in gevallen van niet-betaling af te wijken van het recht op verlaging van de maatstaf van heffing.2 Dit volgt ook uit latere rechtspraak van het HvJ. Zo overwoog het HvJ in het hiervoor besproken Lombard-arrest:3
“30. Uit het voorgaande volgt dat de niet-betaling wordt gekenmerkt door de onzekerheid die inherent is aan het niet-definitieve karkater [bedoeld zal zijn: ‘karakter’; BH] ervan.”
En werd in het hierna (in het kader van de reikwijdte van art. 90 lid 2 Btw-richtlijn) te behandelen Enzo di Maura-arrest bepaald:4
“26. Zoals (…) opgemerkt, heeft de afwijking van het recht op verlaging van de maatstaf van heffing waarin artikel 11, C, lid 1, tweede alinea, van de Zesde richtlijn voorziet, tot doel dat rekening wordt gehouden met de onzekerheid over de vraag of de betaling van een factuur definitief achterwege blijft.”
Het HvJ overweegt in het Goldsmiths (Jewellers)-arrest vervolgens dat gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid gerechtvaardigd moet zijn, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de harmonisatie die de Zesde richtlijn (en de Btw-richtlijn) nastreeft. Het heeft er alle schijn van dat de rechtvaardiging moet worden gezocht in de ratio van de afwijkingsbevoegdheid. Dit betekent dat lidstaten enkel mogen afwijken van de hoofdregel met als motivering dat niet altijd met zekerheid kan worden gesteld dat een vordering definitief oninbaar is. Het betoog van het Verenigd Koninkrijk dat de rechtvaardigding voor het onderscheid in de Britse regeling moet worden gevonden in het risico op fraude kan volgens het HvJ daarom ook niet worden aanvaard.5 Het HvJ noemt twee (additionele) argumenten: (i) uitsluiting van alle transacties waarvan de tegenprestatie niet in geld bestaat is ingrijpender dan strikt noodzakelijk ter voorkoming van het gevaar voor belastingfraude en (ii) de bepalingen rondom de maatstaf van heffing maken geen onderscheid tussen tegenprestaties in geld en tegenprestaties in natura. Voldoende is dat de tegenprestatie in geld kan worden uitgedrukt.6 Het HvJ komt dan ook tot de conclusie dat uitsluiting van een btw-teruggaaf in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling voor transacties waarvoor de tegenprestatie in natura bestaat ertoe leidt dat deze categorie wordt gediscrimineerd ten opzichte van transacties waarvoor de tegenprestatie in geld bestaat. Het HvJ oordeelt daarom dat het een lidstaat niet is toegestaan de teruggaaf van btw afhankelijk te stellen van tegenprestatie in geld.