Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/3.3.9.2.5.1
3.3.9.2.5.1 Kan het recht van de begunstigde worden aangemerkt als een voorwaardelijk eigendomsrecht?
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717465:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046, NJ 2016/290, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser) .
HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046, NJ 2016/290 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser), r.o. 4.2.2.
In casu wil dat zeggen dat er sprake is van een onvoorwaardelijke levering ter uitvoering van een onvoorwaardelijke verbintenis die resulteert in een overdracht onder opschortende voorwaarde. Zie in dit kader: W.H.M. Reehuis e.a., Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Kluwer 2019, p. 800-802.
HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046, NJ 2016/290 (Rabobank/Reuser), r.o. 4.2.3. Zie ook: W.H.M. Reehuis e.a., Pitlo. Het Nederlands burgerlijk recht. Deel 3. Goederenrecht, Deventer: Kluwer 2019 109-120 en 800-802
In de situatie dat de begunstigde een voorwaardelijk recht van de begunstigde heeft verworven, heeft hij een voorwaardelijk economisch belang en verwerft hij derhalve een voorwaardelijk recht op overdracht.
Vgl. ook: HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046, NJ 2016/290, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser), r.o. 3.6.
Potentiële begunstigden hebben aldus enkel een verwachting, oftewel een potentieel economisch belang.
Vgl. ook: HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046, NJ 2016/290, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser), r.o. 3.6.
Eerder in dit hoofdstuk is toegelicht dat de (potentiële) begunstigde bij de totstandkoming van de Curaçaose trust een bundel van rechten, bevoegdheden en daarmee corresponderende remedies – en afhankelijk van de strekking van het trustverband een economisch belang – verkrijgt. Met nadere uitwerking van de rechtsfiguur van het voorwaardelijke eigendomsrecht door de Hoge Raad in zijn arrest Rabobank/Reuser rijst de vraag of het recht van de (potentiële) begunstigde als een voorwaardelijk eigendomsrecht, in het bijzonder een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde kan worden beschouwd.1 Bij de beantwoording van deze vraag dient mijns inziens duidelijkheidshalve onderscheid te worden gemaakt tussen begunstigden van een ‘fixed’ trust en potentiële begunstigden van een ‘discretionary’ trust.
Wordt een goed onder opschortende voorwaarde overgedragen, dan wordt de verkrijger onder opschortende voorwaarde, zo oordeelde de Hoge Raad, onmiddellijk na de overdracht en vóór het in vervulling gaan van de voorwaarde, reeds rechthebbende van een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde waarover hij kan beschikken.2 Bij de totstandkoming van een dergelijke overdracht wordt aldus direct aan alle vereisten van art. 3:84 lid 1 BWC voldaan, doch geschiedt de rechtsovergang pas op het tijdstip dat de voorwaarde in werking is getreden.3 Wanneer de voorwaarde in vervulling gaat, verwerft de verkrijger onder opschortende waarde – door de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde – het onvoorwaardelijke eigendomsrecht van het desbetreffende goed.4
Op grond van het bovenstaande dient de vraag of het recht van de (potentiële) begunstigde als een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde kan worden aangemerkt, naar mijn mening voor zowel de begunstigde van een ‘fixed’ trust als de potentiële begunstigde van een ‘discretionary’ trust ontkennend te worden beantwoord. De begunstigde van een ‘fixed’ trust heeft direct bij de totstandkoming van de trust een vooraf in de trustakte vastgesteld aandeel in het trustfonds en daarmee een economisch belang in de trust. Dit economische belang dat aldus onderdeel uitmaakt van zijn ‘recht van de begunstigde’, vertaalt zich in een recht op (toekomstige) overdracht op één of meer trustgoederen.5 Dit recht van overdracht heeft in casu echter géén goederenrechtelijke werking. Dit impliceert dat de trustee in beginsel primair zal moeten bepalen op welk tijdstip de eigendomsoverdracht zal moeten geschieden. Vervolgens dient hij – anders dan bij de eigendomsoverdracht onder opschortende voorwaarde het geval is – te voldoen aan de vereisten van art. 3:84 lid 1 BWC, teneinde de daadwerkelijke rechtsovergang van een trustgoed – dat wil zeggen de eigendomsoverdracht van een trustgoed – op het vastgestelde tijdstip te bewerkstelligen.6 Van een overdracht van trustgoederen aan of verkrijging van enige vorm van eigendomsrecht door de begunstigde door verwerving van het recht van de begunstigde bij de totstandkoming van de trust, is derhalve geenszins sprake.
Ook in geval van de potentiële begunstigde van een ‘discretionary’ trust kan er op geen enkele wijze gesproken worden van een overdracht van goederen, dan wel van een eigendomsoverdracht onder opschortende voorwaarde. Potentiële begunstigden verwerven zolang de trustee zijn discretionaire bevoegdheid tot aanwijzing van begunstigden niet heeft uitgeoefend, géén aandeel in het trustfonds. Hun recht van begunstigde omvat om deze reden ook géén economisch belang dat hun een verbintenisrechtelijk recht geeft op (toekomstige) overdracht van één of meer trustgoederen.7 Dit brengt met zich mee dat de fase waarin de trustee tot overdracht van trustgoederen kan overgaan, bij een ‘discretionary’ trust nog niet is bereikt.8 Voordat de trustee zich kan verplichten tot eigendomsoverdracht van de trustgoederen krachtens het bepaalde in art. 3:84 lid 1 BWC, zal hij tevens in dit geval moeten bepalen op welk tijdstip de overdracht dient te geschieden en moet hij vaststellen wie de verkrijger van de trustgoederen zal zijn. Dat laatste geschiedt door de aanwijzing van een begunstigde uit de groep der potentiële begunstigden op grond van de aan de trustee verleende discretionaire bevoegdheid. Pas wanneer bij de aangewezen begunstigde een recht op overdracht op één of meer trustgoederen ontstaat, kan de trustee de eigendomsoverdracht van het desbetreffende trustgoed realiseren.