Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.1:6.1 Inleiding
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946180:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 kwam de huidige regeling van klachtdelicten tot stand en deze is tot op heden goeddeels gehandhaafd.1 De maatschappij en de rechtspleging zijn echter aanzienlijk veranderd sinds de negentiende eeuw. In het inleidende hoofdstuk is in dit verband onder meer kort gewezen op de ontwikkeling van de rol van het slachtoffer in het strafproces. 2Diens positie wint de laatste decennia stevig aan belang. Dat is een bijzonder punt van aandacht voor het onderhavige onderzoek nu het klachtrecht bij klachtdelicten is toebedeeld aan een specifieke groep slachtoffers. Dit leidt tot de vraag of en in hoeverre de regeling van klachtdelicten en de toepassing daarvan in de rechtspraktijk meebeweegt met de tendens dat aan de belangen van het slachtoffer in bredere zin meer gewicht toekomt in de strafrechtspleging.
Ter beantwoording van die vraag wordt hierna eerst op hoofdlijnen uiteengezet hoe de positie van het slachtoffer zich heeft ontwikkeld en welke rechten daarbij zijn toebedeeld. Vervolgens wordt – met een blik op de toekomst – bezien welke gevolgen de modernisering van het Wetboek van Strafvordering vooralsnog lijkt te gaan hebben voor de positie van het slachtoffer. Deze bevindingen ten aanzien van de rol van het slachtoffer in de strafrechtspleging worden daaropvolgend afgezet tegen de uit voorgaande hoofdstukken volgende bevindingen aangaande klachtdelicten, de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het klachtvereiste en de positie die daaruit volgt voor de klachtgerechtigde. De daaruit volgende conclusies dragen bij aan de eigen visie omtrent de plaats die de klassieke rechtsfiguur van het klachtvereiste toekomt in de moderne strafrechtspleging. Die zienswijze krijgt zijn beslag in het afsluitende zevende hoofdstuk.