Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/II.A.6.2
II.A.6.2 De "oneigenlijke saisine' van Verstappen als "handreiking'
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS408228:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
L.C.A.VERSTAPPEN, Opvolging onder algemene titel (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 1996, p.79.
In ASSER/KORTMANN/DE LEEDE/THUNNISSEN, Bijzondere overeenkomsten, Zwolle: WE.J. Tjeenk Willink 1994, p. 28 lees ik dat de term'opdracht' aansluit bij het spraakgebruik in de sfeer van de dienstverlening en uitmunt in beknoptheid.
Ook 'verplicht' in de zin dat als ze de nalatenschap verwerpen met een beroep op de legitieme als bedoeld in art. 4:63 lid 3 BW ('contantenverklaring'), hun verkrijging geïmputeerdwordt. Alleen al om als legitimaris 'nog iets te krijgen' zullen zijwaarschijnlijk meewerken aan het 'doorgeven' van het aanbod.
A.A. KULLER, De uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen, Aantekeningen op artt. 1052 en 1065 BW, (diss. Leiden), P. Somerwil 1882, p. 23.
Verstappen1 ziet in zijn dissertatie het aanstellen van een executeur als een rechtsfiguur die ook kan worden beschouwd als een wijze van opvolging onder algemene titel. Hij wijst erop dat men weliswaar geen goederen of schulden verkrijgt, maar dat men wel opvolgt in een onbepaald aantal bevoegdheden ten aanzien van een onbepaald aantal goederen, schulden en/of rechtsbetrekkingen. Nu er geen opvolging is in een vermogen, doch in bevoegdheden, spreekt Verstappen van opvolging onder algemene titel in oneigenlijke zin. Dit vertaal ik voor de onderhavige problematiek als 'erflater reikt de executeur de hand'en zo men wil als 'le mort saisit l'executeur'.
Indien erflater een executeur benoemt, doet hij dit om, kort gezegd, de afwikkeling van zijn nalatenschap soepel te laten verlopen, en wel zodanig dat daarbij zo veel mogelijk rekening gehouden wordt met zijn wensen. Hij heeft daarbij een bepaalde vertrouwenspersoon in gedachte, de executeur. Een bepaalde persoon krijgt, zij het bij eenzijdige rechtshandeling, de opdracht om de nalatenschap af te wikkelen. Ik gebruik het woord opdracht hier nog als in het spraakgebruik,2 zonder al te zware juridische lading. Aangezien het slechts om een eenzijdige rechtshandeling gaat, is het beter om te spreken van een aanbodtot opdracht. De opdracht dient om te kunnen werken immers nog aanvaardte worden.
Terug naar de 'oneigenlijke saisine' van Verstappen. Ten aanzien van de overgang van bevoegdheden zou ik nog een tussenstap willen maken. Het aanbodgaat van de erflater van rechtswege over op zijn erfgenamen. Zij hebben de nalatenschap van erflater aanvaard. Zij zijn verplicht3 de opdracht van erflater door te geven aan de executeur, de vertrouwensman van erflater. Deze dient de opdracht echter nog te aanvaarden. Na aanvaarding van de opdracht is de cirkel rond. Uiteindelijk worden de drie willen, eenwilenzit men in het ideaalmodel op een lijn. De wil van erflater wordt (met de 'echte' saisine) de wil van de erfgenaam, de wil van erflater wordt de wil van de executeur (met de quasi-saisine) en de wil van de executeur wordt desnoods met de 'harde hand' (van de vertegenwoordiger) de wil van de erfgenaam. Het geheel zie ik, zoals hiervoor aangegeven, als een 'quasi-overeenkomst' tussen erflater en executeur met de erfgenaam in de hoedanigheid van partij als rechtsopvolger. De quasi-saisine is het gevolg van de quasi-overeenkomst.
De beheersbevoegdheden van erflater gaan over op de executeur zonder dat er een'levering' vereist is. Aanvaarding van het erfrechtelijk aanbod door de executeur is voldoende. Bevoegdheden worden als het ware afgesplitst van de eigendom. Deze komt immers door de (echte) saisine bij de erfgenamen terecht.
De quasi-overeenkomstgedachte zou men zelfs kunnen zien als een spiegelbeeld van een ander nieuw erfrechtelijk fenomeen, de 'quasi-legatenregeling'.
Eenzelfde 'overeenkomst'gedachte leefde reeds bij Kuller,4 toen hij meer dan honderd jaar geleden over executele schreef:
'Men moet dan de executele beschouwen als is het quasi een contract, maar dat op zichzelf staat en niet met een ander quasi contract gelijk kan worden gesteld. Het staat naast mandaat op dezelfde wijze als legaat staat naast schenking. Zoals het legaat als het ware is eene schenking krachtens het testament: de erfgenaam heeft het legaat en de executele te erkennen, omdat zij bij het testament zijn bevolen.' (Curs. BS)
Van groot belang is overigens zich bij de combinatie erfrecht en (quasi)-overeenkomst steeds te realiseren dat het erfrecht van 1838 niet van meet af aan (in 1992) in optima forma echt heeft kunnen profiteren van de mooie gelaagde structuur van ons nieuw vermogensrecht. Het heeft immers nog tot 2003 geduurd totdat de voordeuren van Boek 4 in volle omvang opengezet zijn voor de nieuwe frisse, met name verbintenisrechtelijke geestverwante, wind. Met de aanpassingswetgeving NBW stonden zij slechts op een kier.
Klassieke rechtsfiguren als bijvoorbeeld een fidei-commis, de ouderlijke boedelverdeling en curatoren van onbeheerde nalatenschappen waren destijds (in 1992) nu eenmaal nog moeilijk in te passen in de nieuwe 'lagen'. Thans ligt dit voor voorwaardelijke makingen, de wettelijke verdeling, executeurs en vereffenaars vanzelfsprekendveel eenvoudiger. Er is meer licht en een frisse windin het stoffige erfrechtelijke huis gekomen.