Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/2.6.2
2.6.2 De interne aansprakelijkheid
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631744:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat deze aansprakelijkheid ‘intern’ wordt genoemd ziet enkel op het feit dat het hier gaat om de rechtspersoon zelf die de (ex-)bestuurder kan aanspreken (op grond van niet-behoorlijke taakvervulling) en van hem bijvoorbeeld schadevergoeding kan vorderen. Het spreekt voor zich dat deze mogelijkheid mede van belang kan (en veelal zal) zijn van externe partijen, zoals de crediteuren van de rechtspersoon. Zie Van de Bunt e.a. (2013) over de (mogelijke) motieven voor het intern aansprakelijk stellen van bestuurders.
De aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van art. 2:9 BW is gebaseerd op de organisatierechtelijke betrekking van de bestuurder met de rechtspersoon, en is dus geen aansprakelijkheid op contractuele grondslag. De interne aansprakelijkheid kan ook op art. 6:162 BW worden gebaseerd, zij het dat het in dat geval alleen om de individuele aansprakelijkheid van de bestuurder gaat, en het uitgangspunt van collectieve aansprakelijkheid (de collectieve qualitate qua aansprakelijkheid van art. 2:9 lid 2 BW) niet van toepassing is. De maatstaf van ‘ernstig verwijt’ zal bij deze grondslag wel worden toegepast.
Zie HR 10 januari 1997, NJ 1997/360 m.nt. Maeijer; JOR 1997/29, en Rechtspraakbundel (2020), nr. 2 (Staleman/Van de Ven), waarin het handelen van een bestuurder wordt getoetst aan dat van een maatman-bestuurder, zijnde de bestuurder die handelt met het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak is berekend en die taak nauwgezet vervult. Zie verder HR 4 april 2003, JOR 2003/134 m.nt. Borrius (Skipper Club Charter/Jaarsma) en HR 2 maart 2007, JOR 2007/137 m.nt. Olden (Nutsbedrijf Westland/Schieke c.s.).
Asser/Kroeze 2-I (2021), nr. 194.
Timmerman (2017), p. 32.
Timmerman (2017), p. 34. Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa (2013), nr. 213 voor de wijze waarop een bestuurder zich zou kunnen disculperen wanneer bij de BV uitkeringen zijn gedaan in strijd met art. 2:216 BW.
De interne aansprakelijkheid betreft de relatie tussen de bestuurder en de rechtspersoon waarvan hij bestuurder is.1 In het klassieke geval heeft de bestuurder iets gedaan of nagelaten als gevolg waarvan de rechtspersoon schade heeft geleden. De vraag is dan wat het toetsingskader is als de bestuurder – mogelijk inmiddels ex-bestuurder – door de rechtspersoon aansprakelijk wordt gesteld. Voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.2 Per 1 januari 2013 is deze uit de rechtspraak3 reeds bekende maatstaf met zoveel woorden in lid 2 van dit artikel opgenomen. Kan een bestuurder – mede gelet op de onderlinge taakverdeling – geen ernstig verwijt worden gemaakt en is hij niet nalatig geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden, dan is hij niet persoonlijk aansprakelijk.
In de wet is dit aldus geformuleerd (art. 2:9 lid 2 BW) dat een bestuurder voor het geheel aansprakelijk is ter zake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden. In deze regeling komt tot uitdrukking dat indien sprake is van een meerhoofdig bestuur, het uitgangspunt collegiale verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid is.4 Bij deze dwingendrechtelijke regeling maakt het geen verschil of een bestuurder naast zijn organisatierechtelijke betrekking ook een contractuele relatie heeft met de rechtspersoon, bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. In het geval dat tevens sprake is van een contractuele relatie kan aan een vordering tot schadevergoeding wegens onbehoorlijke taakvervulling, naast de wettelijke grondslag van art. 2:9 BW, ook wanprestatie aan de vordering ten grondslag worden gelegd. Voor de verdere beoordeling van het doen en laten van de bestuurder maakt dat geen verschil, tenzij van de contractuele relatie bedingen deel uitmaken waarvan de schending wel leidt tot wanprestatie, maar die (mogelijk) niet onder het bereik van de wettelijke regeling vallen. Er dient steeds te worden uitgegaan van een maatman-bestuurder, althans als ondergrens.5
In sommige gevallen houdt de vaststelling dat sprake is van onbehoorlijk bestuur (van het orgaan) tevens in dat sprake is van een (persoonlijk) ernstig verwijt. Dat geldt in de eerste plaats indien de rechtspersoon maar één bestuurder heeft. Een ander voorbeeld: wordt vastgesteld dat sprake is van onbehoorlijk bestuur omdat één van de bestuurders, verantwoordelijk voor de kwestie die aan de rechter ter beoordeling is voorgelegd, evident heeft nagelaten zijn taak ook maar enigszins serieus te vervullen, dan zal ten aanzien van die bestuurder (doorgaans) niet meer afzonderlijk hoeven te worden beoordeeld of hem een ernstig verwijt treft. Maar in gevallen waarin sprake is van een meerhoofdig bestuur zal eerst worden vastgesteld of sprake is van onbehoorlijk bestuur, en als daarvan sprake is, pas daarna de vraag naar de persoonlijke aansprakelijkheid van de individuele bestuurders aan de orde komen.
Op grond van art. 2:216 BW is een bestuurder van een BV jegens de vennootschap aansprakelijk voor het tekort dat door een uitkering aan de aandeelhouders ontstaat in het geval dat de vennootschap na het doen van die uitkering niet kan voortgaan met het betalen van haar schulden en de bestuurder dit wist of behoorde te weten. Ook dit is een geval van interne aansprakelijkheid. In het criterium voor persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder is de ernstig verwijt-maatstaf inbegrepen.6