Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.3.3:8.5.3.3 Nederland
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.3.3
8.5.3.3 Nederland
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291716:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 december 2018, nr. 17/00799, BNB 2019/28, m.nt. Bijl.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht op aftrek ontstaat op het moment dat de aftrekbare btw verschuldigd wordt en dient in het tijdvak waarin het aftrekrecht is ontstaan te worden toegepast. Er kan – zeker bij vastgoed – enige tijd zijn gelegen tussen het moment waarop het recht op aftrek is ontstaan en het moment waarop het vastgoed in gebruik wordt genomen, bijvoorbeeld vanwege aanvangsleegstand of werkzaamheden om het vastgoed gereed te maken voor het beoogde gebruik (een verbouwing bijv.). In die ‘tussentijd’ kan zich een wijziging in het recht op aftrek voordoen als bedoeld in art. 185 Btw-richtlijn (zie paragraaf 8.5.3.2). In Nederland geldt in dat geval art. 15 lid 4 Wet OB op grond waarvan het totale bedrag van de oorspronkelijk toegepaste aftrek in één keer wordt herzien indien bij de ingebruikneming ervan die oorspronkelijke toegepaste aftrek blijkt af te wijken van de aftrek die belastingplichtige gerechtigd is toe te passen op basis van het werkelijke gebruik. Deze herziening geldt ook voor onroerende investeringsgoederen. In de zaak Stichting Schoonzicht heeft de Hoge Raad aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag voorgelegd of dit door de beugel kan.1 In paragraaf 8.5.3.3.1 wordt nader ingegaan op de richtlijnconformiteit en de wenselijkheid van de in Nederland voorgeschreven herziening van de aftrek van de btw op een onroerend investeringsgoed bij ingebruikneming. Vervolgens komt in paragraaf 8.5.3.2.2 de ‘Nederlandse’ herziening aan bod van de aftrek van de btw op niet-investeringsgoederen en diensten (bijv. een verbouwingsdienst) die veroorzaakt wordt door een uitgaande belaste of vrijgestelde vastgoedtransactie.
8.5.3.3.1 Herziening aftrek onroerend investeringsgoed bij ingebruikneming8.5.3.3.2 Herziening aftrek niet-investeringsgoederen en diensten