Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.2.3.4:5.2.3.4 Conclusies over de verhouding tussen het privaatrecht en het strafrecht
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.2.3.4
5.2.3.4 Conclusies over de verhouding tussen het privaatrecht en het strafrecht
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946204:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor zijn in paragraaf 2.2.6 enige algemene conclusies getrokken ten aanzien van de verhouding tussen het privaatrecht en het publiekrecht. De zojuist weergegeven bevindingen maken het mogelijk ook vaststellingen te doen die meer in het bijzonder zien op de verhouding tussen het privaatrecht en het strafrecht.
De eerste conclusie is dat de verhouding tussen het strafrecht en het privaatrecht in de loop van de eeuwen niet eenduidig is gepercipieerd. Deze rechtsgebieden hebben gemeenschappelijke wortels in die zin dat de burger van oudsher zelf verantwoordelijk was voor het juridisch ter verantwoording roepen van een dader die hem schade berokkende. Pas in de late middeleeuwen heeft de overheid de bestraffing van daders concreet naar zich toegetrokken en is het op publieke belangen geënte strafrecht ontwikkeld. In het verlengde van de zienswijzen over de verhouding tussen privaatrecht en publiekrecht heeft daaropvolgend langere tijd de idee bestaan dat ook het privaatrecht en het strafrecht (als onderdeel van het publiekrecht) strikt onderscheiden dienen te worden. In de loop van de 20ste eeuw is een minder gecompartimentaliseerde kijk op de verschillende deelgebieden in de Nederlandse rechtspleging ontstaan waarbij de acceptatie van convergentie tussen de deelgebieden binnen het Nederlandse recht zich ook uitstrekte tot de verhouding tussen het strafrecht en het privaatrecht. De in de (oudere) literatuur beschreven tegenstelling tussen het strafrecht en het privaatrecht is daardoor aan erosie onderhevig. Thans is algemeen aanvaard dat geen sprake is van een strakke tweedeling waarbij de rechtsgebieden als zwart en wit zijn te duiden, maar dat aan de uiteinden van de verschillende deelgebieden binnen het recht (steeds meer ) grijstinten waarneembaar zijn. Het besef groeit dat geen sprake is van volstrekt afgescheiden soorten recht, maar veeleer van deelgebieden die elkaar over en weer beïnvloeden. Daarbij voedt de observatie van Cleiren – dat veel van de ontwikkelingen in het strafrecht en privaatrecht zijn te herleiden tot opvattingen en beginselen die eigen zijn aan onze rechtscultuur als geheel zonder onderscheid naar rechtsgebied 1 – de idee van een gelaagde rechtsorde met een algemeen deel (bestaande uit rechtsbeginselen, - figuren, -begrippen en -regels) dat voorafgaat aan het onderscheid tussen het privaatrecht en het strafrecht.
De tweede conclusie is dat de mogelijkheden van convergentie tussen het strafrecht en het privaatrecht hun begrenzing vinden in de eigen aard en functie van die rechtsgebieden. Binnen de Nederlandse strafrechtspleging wordt in specifieke gevallen gereageerd op bepaald maatschappelijk bezien onwenselijk en om die reden strafbaar gesteld gedrag, terwijl het privaatrecht ziet op het reguleren van de maatschappelijke omgang tussen burgers onderling. Waar het privaatrecht dus ziet op het meer alomvattend reguleren en waar nodig herstellen van rechtsverhoudingen tussen in beginsel gelijkwaardige partijen, staat bij het strafrecht de incidentele sanctionering van overheidswege centraal. Daarbij dient het openbaar ministerie bij het gebruik van het toebedeelde arsenaal aan bevoegdheden het algemeen belang voor ogen te houden, terwijl de verdachte zich (met minder bevoegdheden) mag richten op zijn eigen belang. Bij de procesvoering in het strafrecht staan dus ongelijkwaardige partijen tegenover elkaar die ongelijksoortige belangen behartigen. In het privaatrecht zijn zowel de soort belangen als de posities van de betrokken partijen meer gelijkwaardig. Een belangrijke uitwerking van deze verschillen in verhoudingen is dat in het strafrecht rechtsbescherming meer aandacht verdient dan in het burgerlijk recht is vereist. Het hiervoor beschreven onderscheid maakt ook dat binnen het strafrecht een duidelijkere normstelling is vereist dan in het privaatrecht. Groenhuijsen stelde al in 1986 dat de tegenstelling tussen het privaatrecht en het strafrecht met name een bewerkbaar probleem is als het onderscheid in rechtsbescherming dat het individu in de samenleving toekomt centraal wordt gesteld. 2Deze verschillen maken niet dat de deelgebieden van het recht elkaar niet over en weer kunnen beïnvloeden. Het betekent echter wel dat bij die beïnvloeding de eigenschappen en uitgangspunten die aan de deelgebieden eigen zijn niet uit het oog mogen worden verloren. Mijns inziens worden de mogelijkheden van convergentie tussen beide deelgebieden dan ook beperkt door de uiteenlopende aard en functie van die deelgebieden en behoort van verdergaande convergentie te worden afgezien indien een van beide de deelgebieden de toebedeelde functies daardoor minder optimaal zou kunnen vervullen.
Met het oog op de grenzen van toenadering tussen het strafrecht en het privaatrecht is het aangewezen één aanvullende observatie te doen. In het voorgaande hebben verschillende auteurs uiteenlopende voorbeelden gegeven van de wijze waarop het privaatrecht van invloed is op het strafrecht. Daarbij gaat het – zoals Crijns terecht vaststelde – meestal niet om het gebruik van privaatrechtelijke (of daarop georiënteerde) bevoegdheden door de overheid ter verwezenlijking van strafvorderlijke doeleinden.3 Het betreft veeleer het handelen of de positie van een burger binnen de strafrechtspleging. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan de mogelijkheden die de benadeelde partij worden geboden en aan de mogelijkheid voor een gewezen verdachte om schadevergoeding te verzoeken. Het handelen van de overheid binnen de strafrechtspleging wordt verhoudingsgewijs in mindere mate beïnvloed door normen uit het privaatrecht. Dit is in het licht van het voorgaande goed verklaarbaar. Juist bij het strafvorderlijke handelen door de overheid treedt de hiervoor beschreven eigen aard van het strafrecht en de grotere noodzaak tot rechtsbescherming van de burger op de voorgrond.
De derde conclusie is dat de hiervoor beschreven (fundamentele) verschillen tussen het strafrecht en het privaatrecht geen afbreuk doen aan de eerder beschreven idee over de eenheid van het recht. Het bestaan van algemene, overkoepelende rechtsbeginselen laat onverlet dat verschillende deelgebieden van het Nederlandse recht op onderdelen een eigen invulling vereisen om te kunnen beantwoorden aan de functie die deze rechtsgebieden binnen de Nederlandse rechtspleging behoren te vervullen. Ik schaar mij achter Demeersseman dat dit geen onvolkomenheid van ons rechtssysteem is, maar dat dit beter kan worden bezien als een wenselijke precisering van het recht binnen een deelgebied om de doelverwezenlijking binnen dat rechtsgebied te optimaliseren. In het verlengde hiervan is het – zoals ook Van Kempen vaststelde – inderdaad onwenselijk om te voorzien in één alomvattend procesrecht, nu daarmee onvoldoende tegemoet kan worden gekomen aan de uiteenlopende aard en functie van het privaatrecht en het strafrecht.
Met het oog op de verhouding tussen het strafrecht en het privaatrecht kan resumerend worden vastgesteld dat deze deelgebieden van het recht historisch bezien een gemeenschappelijke achtergrond kennen. Desondanks is na de totstandkoming van de publiekrechtelijke strafvervolging – in lijn met de ideeën volgend uit de meer bestuursrechtelijk geïnspireerde discussie aangaande de verhouding tussen publiekrecht en privaatrecht – in de literatuur langere tijd een stevige tegenstelling tussen het strafrecht en het privaatrecht bepleit en aanvaard. Veranderingen in het denken aangaande de verhouding tussen het privaatrecht en het bestuursrecht, alsmede de vaker waargenomen en geaccepteerde convergentie tussen rechtsgebieden, maken dat thans minder noodzaak wordt gezien om strak de hand te houden aan het onderscheid tussen het privaatrecht en strafrecht, zolang recht wordt gedaan aan de belangrijke eigenschappen en uitgangspunten die aan de deelgebieden eigen zijn. De noodzaak tot het blijven onderscheiden tussen privaatrecht en strafrecht is er hoofdzakelijk in gelegen dat die deelgebieden binnen het recht de specifiek toebedeelde functies gedegen kunnen (blijven) vervullen.