Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.5.12
12.5.12 Het opgeofferde bedrag in het geval van fiscaal begeleide moeder-dochterafsplitsingen
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491699:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook onderdeel 11.5.
Zie voor een uitgebreide analyse Van der Geld & Hofman 2017, onderdeel 5.2, p. 97-98 en onderdeel 5.3.1, p. 100.
Bij de fiscaal begeleide splitsing zijn immers de fiscale boekwaarden doorgeschoven van de afsplitser naar de verkrijger(s). De waardedaling na de splitsing leidt bij de verkrijger(s) slechts tot een commercieel verlies.
In vergelijkbare zin ook Dijstelbloem 1984, hoofdstuk 7, onderdeel 1, p. 158-159 en Van den Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 4.7.4, p. 122-124. Zie ook de door deze auteurs gemaakte verdere literatuurverwijzingen.
Ik wijs erop dat standaardvoorwaarde 1 aangrijpt ‘onmiddellijk voorafgaand aan het afsplitsingstijdstip’.
Voor fiscaal gefaciliteerde moeder-dochterafsplitsingen regelt art. 14a, lid 4, Wet VPB 1969 dat het opgeofferde bedrag voor de verkregen deelneming in de verkrijger(s) bij de afsplitser wordt gesteld op de fiscale boekwaarde van het vermogen dat in het kader van de splitsing overgaat, verminderd met de daarin begrepen reserves.1 Dit voorschrift gaat niet over het handhaven van de vennootschapsbelastingclaims die betrekking hebben op het vermogen dat bij de splitsing overgaat naar de verkrijger(s). Die belastingclaims verhuizen immers naar de verkrijger(s) en worden op dat niveau gehandhaafd, terwijl art. 14a, lid 4, Wet VPB 1969 is gericht op de afsplitser. Het antwoord op de vraag of art. 14, lid 4, Wet VPB 1969 gerechtvaardigd is, dient daarom te worden beoordeeld vanuit doel en strekking van de liquidatieverliesregeling van art. 13d Wet VPB 1969. Die regeling is in het leven geroepen om recht te doen aan het uitgangspunt dat geleden verliezen in de vennootschapsbelasting zoveel mogelijk moeten worden vergolden. Wordt een lichaam ontbonden, dan gaan de bij dat lichaam aanwezige verliezen verloren. De wetgever vond het passend om dan op het niveau van de houder(s) van een deelneming in dat ontbonden lichaam verliesneming toe te staan.2 De omvang van zo’n liquidatieverlies wordt zelfstandig bij die houder(s) vastgesteld. Slechts bij toeval is dat gelijk aan het verlies dat bij het ontbonden lichaam onverrekend is gebleven.3
Mijns inziens is art. 14a, lid 4, Wet VPB gelet op doel en strekking van de liquidatieverliesregeling een systematisch juist voorschrift. Het fiscale verlies dat bij de verkrijger(s) na de splitsing met betrekking tot het verkregen vermogen tot uitdrukking komt, is maximaal gelijk aan de fiscale boekwaarde van het vermogen dat in het kader van de splitsing overgaat, verminderd met de daarin begrepen reserves. De splitser heeft in het geval van een fiscaal gefaciliteerde splitsing niet afgerekend over de stille reserves, fiscale reserves en niet-geactiveerde goodwill. Het is mogelijk dat de doorgeschoven splitsingswinst na de fiscaal begeleide splitsing niet wordt gerealiseerd, maar verdampt. Dat resulteert bij de verkrijger(s) echter niet in een fiscaal verlies.4 In zoverre is het dan bij een liquidatie van de betreffende verkrijger(s) niet nodig om verliesneming toe te staan bij de houder van de deelneming in die verkrijger(s), te weten de afsplitser.5 In de literatuur is met betrekking tot een vergelijkbare bepaling voor fiscaal gefaciliteerde bedrijfsfusies geconstateerd dat geen rekening lijkt te worden gehouden met de mogelijkheid dat de overdrager bij de bedrijfsfusie als gevolg van de standaardvoorwaarden deels heeft moeten afrekenen. Voorgesteld wordt om het eerste woord van de bepaling, dat is ‘indien’, te vervangen door ‘voor zover’.6 Ik vraag mij af of dit een juiste interpretatie is. Het komt mij voor dat het gaat om de fiscale boekwaarde van het vermogen ná de (eventuele) toepassing van de standaardvoorwaarden.7