De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.6.3:3.6.3 Academische vrijheid in verdragen
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.6.3
3.6.3 Academische vrijheid in verdragen
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949482:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de academische vrijheid in het Europees uitgebreider Mohammad 2023, p. 244 e.v.
Groen 2017, p. 73.
Groen 2017, p. 59.
Groen 2017, p. 64.
EHRM 23 juni 2009, nr. 17089/03 (Sorguç/Turkije).
Phillipsen 2019, p. 69.
EHRM 15 maart 2012, nr. 41029/04 (Aksu/Turkije).
EHRM 27 mei 2014, nr. 39779/04 (Erdogan e.a./Turkije).
EHRC 2014/217, m.nt. Zoontjens en Phillipsen 2019.
HvJ-EU 6 oktober 2020, ECLI:EU:C:2020:792.
HvJ-EU 6 oktober 2020, ECLI:EU:C:2020:792, ro. 225.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De academische vrijheid is in een aantal verdragen expliciet beschermd.1 Bijvoorbeeld in artikel 13 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Daarin is bepaald dat de kunsten en het wetenschappelijk onderzoek vrij zijn en dat de academische vrijheid wordt geëerbiedigd. In het IVESCR is daarnaast geregeld dat de verdragspartijen de vrijheid eerbiedigen die onontbeerlijk is voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en scheppend werk.2 Hier staat dan ook het onderzoek en niet het onderwijs centraal.3
In de literatuur en de jurisprudentie wordt aangenomen dat de academische vrijheid samenhangt met de vrijheid van meningsuiting.4 Een deel van het werk van de wetenschapper bestaat immers, middels publicaties en onderwijs, uit het uiten van meningen en gedachten over de resultaten van onderzoek. De vrijheid van meningsuiting is onder meer vastgelegd in artikel 10 EVRM. Dit artikel rept niet met zoveel woorden over academische vrijheid of wetenschap als zodanig. Desalniettemin blijkt uit verschillende uitspraken van het EHRM dat onder de vrijheid van meningsuiting, in de zin van artikel 10 EVRM, ook academische vrijheid verstaan moet worden.5 In een uitspraak uit 2009 onderschreef het EHRM voor het eerst het belang van de academische vrijheid.6 De academische vrijheid bestaat volgens het Hof onder meer uit het recht van wetenschappers om vrij hun mening te geven over de instelling of het systeem waarbinnen zij werkzaam zijn. Ook omvat dit het recht om in vrijheid kennis te verspreiden zonder restricties. Wat dit betekende voor de afweging in een concreet geval was op voorhand niet duidelijk.7 In 2012 maakte het EHRM duidelijk dat een beperking van de vrijheid van meningsuiting indringend getoetst moet worden als deze beperking raakt aan de academische vrijheid.8 Het EHRM toetst in zaken, waar bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting in het geding is, of er sprake is van een beperking en of deze beperking voorzienbaar is bij wet, noodzakelijk is in een democratische samenleving en of deze proportioneel is.
In een zaak uit 2014 geeft het EHRM een bredere lezing van de academische vrijheid. De academische vrijheid strekt zich volgens het Hof uit tot meningen op het gebied waar de wetenschapper onderzoek naar doet of expertise over heeft, ook als die meningen controversieel of onpopulair zijn. Deze vrijheid strekt zich ook uit over kritiek op publieke instellingen of het politieke systeem.9 Zoontjens geeft aan dat hieruit opgemaakt kan worden dat de academische vrijheid niet strikt beperkt is tot via wetenschappelijk onderzoek verkregen resultaten.10 Onder deze vrijheid vallen ook uitingen die passen in de beroepsmatige deskundigheid van de academicus.
In 2020 sprak het HvJ-EU zich voor het eerst uit over de academische vrijheid. Het betrof een zaak tussen de Europese Commissie en Hongarije. Hongarije had het moeilijker gemaakt voor buitenlandse instellingen om in Hongarije hoger onderwijs te verzorgen. In casu oordeelde het HvJ-EU dat aan de academische vrijheid een brede strekking toekomt.11 Tot die conclusie komt het Hof onder meer op basis van artikel 13 van het Handvest en artikel 10 van het EVRM (betreffende de vrijheid van meningsuiting) en de daaruit voortvloeiende jurisprudentie van het EHRM ten aanzien van de academische vrijheid. In dit licht bepaalt het Hof dat de academische vrijheid:
“zowel in het onderzoek als in het onderwijs, de vrijheid van meningsuiting en actie, de vrijheid om informatie te verstrekken en de vrijheid om kennis en waarheid te zoeken en zonder beperking te verspreiden waarborgen, met de precisering dat deze vrijheid niet beperkt is tot academisch of wetenschappelijk onderzoek, maar zich tevens uitstrekt tot de vrijheid van universiteiten om vrijelijk hun standpunten kenbaar te maken”12
Naast dat de academische vrijheid zich uitstrekt over uitingen en actie voor wat betreft onderzoek en onderwijs, bepaalt het HvJ-EU dat deze vrijheid ook een institutionele en organisatorische dimensie heeft. Onderwijs en onderzoeksinfrastructuur zijn een essentiële voorwaarde voor de uitoefening van onderwijs- en onderzoeksactiviteiten. De hogeronderwijsinstellingen maken onderdeel uit van deze infrastructuur en zouden autonoom moeten zijn. De academische vrijheid is dan ook meer dan enkel een bijzondere vorm van vrijheid van meningsuiting die toekomt aan academici. Een randvoorwaarde voor deze vrijheid is dat instellingen autonoom hun werk kunnen doen en dat de Staat de totstandkoming en autonomie van deze instellingen faciliteert. De academische vrijheid komt dan ook toe aan zowel academici als aan de instellingen. Ook strekt de academische vrijheid zich niet enkel uit tot onderzoek, maar ook tot het geven van onderwijs.