Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:265 BW:Ontbinding
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:265 BW
Ontbinding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. E.J. Bellaart, actueel t/m 22-12-2025
Actueel t/m
22-12-2025
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. E.J. Bellaart
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:265 BW
In dit artikel is de ontbindingsbevoegdheid geregeld van de schuldeiser, indien de schuldenaar tekortkomt in de nakoming van de uit een overeenkomst volgende verplichting.
Een ontbinding kan zowel buiten rechte, door middel van een schriftelijke verklaring van de daartoe gerechtigde, als in rechte, door de rechter op vordering van de daartoe gerechtigde, geschieden (art. 6:267 BW).1 Op deze gerechtigde (de schuldeiser) die zich in een procedure beroept op een buitengerechtelijke ontbinding, dan wel in de procedure de ontbinding vordert, rusten ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv de stelplicht en de bewijslast van de vereisten die voor deze (buiten)gerechtelijke ontbinding nodig zijn. Deze vereisten van de twee ontbindingsmogelijkheden komen voor een groot deel overeen.
Vereisten voor ontbinding
Ten eerste is het onderhavige artikel primair van toepassing op wederkerige overeenkomsten (art. 6:261 BW). Echter ook indien er geen sprake is van een wederkerige overeenkomst, is deze ontbindingsbepaling in bepaalde gevallen van toepassing.2 Hoewel de vraag of de ontbindingsbepaling van toepassing is, goeddeels de beantwoording van een rechtsvraag betreft, die zich niet leent voor het leveren van bewijs, zal de schuldeiser zo nodig relevante feiten en omstandigheden dienen te stellen en te bewijzen, waaruit volgt dat de ontbindingsbepaling toepasselijk is.
Een volgend vereiste waarvan op de schuldeiser de stelplicht en de bewijslast rusten is, dat sprake is van een tekortkoming door de schuldenaar in de nakoming van een verbintenis.3Indien de schuldenaar hiertegen aanvoert dat hij niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting(en), betreft dit in beginsel een betwisting van de feitelijke grondslag van de vordering van de schuldeiser.
Een specifiek geval, waarin een (bevrijdend) verweer ten aanzien van de nakoming samenvalt met een (zuivere) betwisting van de tekortkoming die aan de gevorderde ontbinding ten grondslag is gelegd, betreft het arrest van de Hoge Raad, HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8725, NJ 2009/599. In dit arrest dat ziet op een ontbindingsvordering door de verhuurder wegens wanbetaling door de huurder, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het betoog van de huurder dat de huur wel was betaald, een bevrijdend verweer betrof. Het was dus geen betwisting van de feitelijke grondslag van de vordering van de verhuurder. De verhuurder hoefde niet te bewijzen dat er niet was betaald, doch de huurder moest bewijzen dat er wel was betaald. Van Schaick is kritisch over dit arrest en is van mening dat het niet goed past in het bewijsrechtelijk systeem.4 Sieburgh lijkt dit arrest daarentegen te plaatsen in de sleutel, dat in hoeverre de schuldeiser de tekortkoming moet bewijzen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Indien de schuldeiser zich erop beroept dat de schuldenaar zijn prestatie in het geheel niet heeft verricht, zal de schuldenaar die stelt wel betaald of geleverd te hebben in de regel met het bewijs daarvan worden belast. Gaat het daarentegen om een ondeugdelijke prestatie, dan zal de schuldeiser zulks in de regel moeten bewijzen, aldus Sieburgh.5
Het is een kwestie van uitleg van de overeenkomst of de verrichte prestatie, dan wel het uitblijven ervan, achter blijft bij wat de overeenkomst in het concrete geval eist.6 Als de inhoud van de verplichting is vastgesteld, kan worden beoordeeld of in de nakoming daarvan is tekortgeschoten. De uitleg van de overeenkomst zal geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf.7
Indien de overeenkomst buitengerechtelijk wordt ontbonden, zal de schuldeiser voorts dienen te stellen en zo nodig te bewijzen dat aan de vereisten van art. 6:267 lid 1 BW is voldaan. Dit houdt naar de kern in dat de ontbinding is geschied door middel van een schriftelijke verklaring dan wel, indien van toepassing, langs elektronische weg. De verklaring zal de schuldenaar moeten hebben bereikt om werking toe te komen.8
Ontbinding gerechtvaardigd, tenzij ā¦
Hoofdregel is dat de schuldeiser in beginsel recht heeft op ontbinding ingeval van tekortkoming in de nakoming van een opeisbare verbintenis. Het maakt in beginsel geen verschil of de niet-nakoming totaal, gedeeltelijk of kwalitatief van aard is.9 De schuldeiser heeft de vrijheid te kiezen tussen een algehele ontbinding of een gedeeltelijke ontbinding. Over deze keuzevrijheid beschikt de schuldeiser ook als de tekortkoming slechts een gedeelte van de verschuldigde prestatie betreft, of wanneer zij uit een niet-behoorlijke nakoming bestaat.10 Een belangrijke uitzondering op voornoemde hoofdregel volgt uit de zinsnede in de wettelijke bepaling ātenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigtā. Zoals ook volgt uit de tekst (ātenzijā) en voorts is uitgemaakt in vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, rusten op de tekortschietende partij de stelplicht en de bewijslast dat de tekortkoming deze ontbinding niet rechtvaardigt.11 De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciĆ«le beslissing van 28 september 2018 uitdrukkelijk bevestigd dat het aan de schuldenaar is om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling. Deze verdeling van de stelplicht past ook bij het gegeven dat de omstandigheden die een beroep op de tenzij-bepaling ondersteunen veelal in het domein van de schuldenaar zullen liggen.12 Het standpunt van de schuldenaar dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt, betreft dan ook een (bevrijdend) verweer.
Dat het aan de schuldenaar is om zich op de tenzij-bepaling te beroepen, sluit niet uit dat onder omstandigheden in de betwisting van de schuldenaar dat sprake is van een tekortkoming, afhankelijk van de daartoe aangevoerde feiten en omstandigheden, het (subsidiaire) verweer besloten kan liggen dat de tekortkoming āĀ indien deze in rechte wordt aangenomenĀ ā gelet op de omstandigheden van het geval niet de gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Of dat zo is, is een kwestie van uitleg van de stellingen van de schuldenaar en zal mede ervan afhangen of een dergelijk (subsidiair) betoog voor de schuldeiser voldoende kenbaar was.13
Hierbij wordt aangetekend dat de beantwoording van de vraag of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt een normatieve beoordeling behelst door de rechter die zich als zodanig niet leent voor bewijslevering. De stelplicht en de bewijslast hebben betrekking op feiten en omstandigheden die voor die normatieve beoordeling van belang zijn.14 Er wordt voorts op gewezen dat het gaat om deze ontbinding, waarmee wordt bedoeld de door de schuldeiser gekozen vorm van ontbinding. De schuldeiser kiest een gehele of (een bepaalde vorm van) gedeeltelijke ontbinding. Vervolgens zal dienen te worden beoordeeld of deze ontbinding gerechtvaardigd is gelet op de tekortkoming, waarbij, het zij herhaald, de stelplicht en bewijslast rusten op de schuldenaar.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een gebrek dat aan het licht komt na het uitbrengen van de ontbindingsverklaring van belang kan zijn voor de beoordeling van de vraag of de ontbinding is gerechtvaardigd.15 De schuldeiser zou zich dus, in reactie op het verweer van de schuldenaar dat de ontbinding in dit geval niet gerechtvaardigd was, kunnen beroepen op aanvullende gebreken. De stelplicht en bewijslast van dergelijke aanvullende gebreken zullen, conform de hoofdregel van art. 150 Rv, op de schuldeiser rusten.
Tot slot wordt nog gewezen op het volgende. De Hoge Raad heeft in bovengenoemde prejudiciĆ«le beslissing van 28 september 2018 āĀ die betrekking had op de ontbinding van een overeenkomst tot (ver)huur van sociale woonruimteĀ ā overwogen dat het aan de feitenrechter is om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden. Hieraan heeft de Hoge Raad toegevoegd dat de rechter ook beoordelingsruimte heeft indien tegen de huurder verstek is verleend; wel vindt deze rechterlijke beoordeling vanzelfsprekend (ook in verstekzaken) haar praktische begrenzing erin dat de rechter slechts rekening kan houden met de voor hem kenbare feiten en omstandigheden (rov. 3.9). De Hoge Raad wijkt hier ingeval van verstekzaken dus af van het uitgangspunt dat het aan de schuldenaar (huurder) is om zich te beroepen op toepassing van de tenzij-bepaling.16 Dit komt in feite neer op de ambtshalve toepassing van een niet gevoerd verweer. In hoeverre de rechter invulling moet geven aan deze ambtshalve toetsing is (nog) niet duidelijk.17 Gedacht kan worden aan toepassing van art. 21 en 22 Rv.18
Schuldenaar beroept zich op gedane ontbinding
Het is mogelijk dat, indien een schuldeiser zich beroept op een overeenkomst āĀ bijvoorbeeld indien de schuldeiser nakoming van een verbintenis uit die overeenkomst vordertĀ ā de schuldenaar zich verweert met de stelling dat de schuldeiser de overeenkomst reeds heeft ontbonden. In dat geval zullen de stelplicht en de bewijslast spiegelbeeldig zijn, ten opzichte van de situatie dat de schuldeiser zich op de ontbinding beroept. Dit betekent dat op de schuldenaar die zich beroept op een gedane ontbinding, de stelplicht en de bewijslast rusten dat de overeenkomst aldus is ontbonden.
De schuldenaar zal dienen te stellen dat, in geval van een buitengerechtelijke ontbinding, de schuldeiser een ontbindingsverklaring heeft uitgebracht. Indien de schuldenaar daarin slaagt, zou de schuldeiser in reactie daarop kunnen aandragen dat die ontbindingsverklaring niet gerechtvaardigd was, omdat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding niet rechtvaardigde. Op de schuldeiser, die zich alsdan beroept op de uitzondering van art. 6:265 lid 1 BW, rusten dan de stelplicht en de bewijslast van omstandigheden die zien op de tenzij-bepaling. Hierbij wordt opgemerkt dat in het algemeen geldt dat de schuldeiser die een ontbindingsverklaring heeft uitgebracht, hiervan niet kan terugkomen.19 Gelet daarop zou kunnen worden betoogd dat de schuldeiser zich er evenmin op kan beroepen dat een door hem gedane ontbindingsverklaring geen doel heeft getroffen. De Hoge Raad heeft (evenwel) geoordeeld dat een niet-gerechtvaardigde ontbindingsverklaring niet het beoogde rechtsgevolg heeft; zij leidt op zichzelf niet tot de ontbinding van de overeenkomst. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat, hoewel volgens de Toelichting Meijers een niet-gerechtvaardigde ontbindingsverklaring nietig is, daarmee geen nietigheid in de zin van art. 3:40 BW wordt bedoeld.20 Mijns inziens kan uit deze uitspraak worden afgeleid dat ook de schuldeiser zich erop kan beroepen dat de door hem gedane ontbindingsverklaring een niet-gerechtvaardigde ontbindingsverklaring betreft en daarom niet het beoogde rechtsgevolg heeft.
Aanvullend recht
Opgemerkt zij dat art. 6:265 lid 1 BW van aanvullend recht is. Het staat partijen dus in beginsel vrij om daarvan bij overeenkomst af te wijken.21 De partij die zich erop beroept dat er een van deze wettelijke regeling afwijkende afspraak is gemaakt, draagt de stelplicht en de bewijslast hiervan overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv.
Verzuim (lid 2)
Het tweede lid bepaalt dat indien nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de schuldenaar eerst in verzuim moet zijn voordat de bevoegdheid tot ontbinding ontstaat. Het verzuim en de onmogelijke nakoming is geregeld in art. 6:81 BW. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv is het aan de schuldeiser die zich op de ontbinding beroept, de feiten te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de schuldenaar in verzuim is. Voor zover de schuldeiser zich erop beroept dat verzuim niet vereist is omdat sprake is van blijvende onmogelijkheid, dient de schuldeiser feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit die blijvende onmogelijkheid volgt.22 In afwijking van art. 6:74 BW geldt het verzuimvereiste evenmin voor zover de nakoming tijdelijk onmogelijk is. Zoals op de schuldeiser de stelplicht en de bewijslast zullen rusten van de blijvende onmogelijkheid, zullen op hem ook de stelplicht en de bewijslast rusten van de tijdelijke onmogelijkheid.
In de Toelichting-Meijers is in dit kader opgemerkt dat bij een niet toerekenbare verhindering die zich als van tijdelijke aard laat aanzien, de crediteur niet met minder geduld ten opzichte van de wederpartij kan volstaan dan wanneer deze wel zou moeten worden aangemaand.23 Op de tekortschietende schuldenaar rusten de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden op grond waarvan ontbinding zonder termijnstelling in concreto naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.24
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, NJ 2019/446 m.nt. Hijma, rov. 3.6. Zie ook de prejudiciƫle beslissing van de Hoge Raad van 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799, rov. 3.2.5 en 3.4.2 (eerste zin).
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:265 BW
Ontbinding
mr. E.J. Bellaart, actueel t/m 22-12-2025
22-12-2025
01-01-1992 tot: -
mr. E.J. Bellaart
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:265 BW
Verbintenissenrecht (V)
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 265
Ontbindingsbevoegdheid (lid 1)
In dit artikel is de ontbindingsbevoegdheid geregeld van de schuldeiser, indien de schuldenaar tekortkomt in de nakoming van de uit een overeenkomst volgende verplichting.
Een ontbinding kan zowel buiten rechte, door middel van een schriftelijke verklaring van de daartoe gerechtigde, als in rechte, door de rechter op vordering van de daartoe gerechtigde, geschieden (art. 6:267 BW).1 Op deze gerechtigde (de schuldeiser) die zich in een procedure beroept op een buitengerechtelijke ontbinding, dan wel in de procedure de ontbinding vordert, rusten ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv de stelplicht en de bewijslast van de vereisten die voor deze (buiten)gerechtelijke ontbinding nodig zijn. Deze vereisten van de twee ontbindingsmogelijkheden komen voor een groot deel overeen.
Vereisten voor ontbinding
Ten eerste is het onderhavige artikel primair van toepassing op wederkerige overeenkomsten (art. 6:261 BW). Echter ook indien er geen sprake is van een wederkerige overeenkomst, is deze ontbindingsbepaling in bepaalde gevallen van toepassing.2 Hoewel de vraag of de ontbindingsbepaling van toepassing is, goeddeels de beantwoording van een rechtsvraag betreft, die zich niet leent voor het leveren van bewijs, zal de schuldeiser zo nodig relevante feiten en omstandigheden dienen te stellen en te bewijzen, waaruit volgt dat de ontbindingsbepaling toepasselijk is.
Een volgend vereiste waarvan op de schuldeiser de stelplicht en de bewijslast rusten is, dat sprake is van een tekortkoming door de schuldenaar in de nakoming van een verbintenis.3Indien de schuldenaar hiertegen aanvoert dat hij niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting(en), betreft dit in beginsel een betwisting van de feitelijke grondslag van de vordering van de schuldeiser.
Een specifiek geval, waarin een (bevrijdend) verweer ten aanzien van de nakoming samenvalt met een (zuivere) betwisting van de tekortkoming die aan de gevorderde ontbinding ten grondslag is gelegd, betreft het arrest van de Hoge Raad, HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8725, NJ 2009/599. In dit arrest dat ziet op een ontbindingsvordering door de verhuurder wegens wanbetaling door de huurder, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het betoog van de huurder dat de huur wel was betaald, een bevrijdend verweer betrof. Het was dus geen betwisting van de feitelijke grondslag van de vordering van de verhuurder. De verhuurder hoefde niet te bewijzen dat er niet was betaald, doch de huurder moest bewijzen dat er wel was betaald. Van Schaick is kritisch over dit arrest en is van mening dat het niet goed past in het bewijsrechtelijk systeem.4 Sieburgh lijkt dit arrest daarentegen te plaatsen in de sleutel, dat in hoeverre de schuldeiser de tekortkoming moet bewijzen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Indien de schuldeiser zich erop beroept dat de schuldenaar zijn prestatie in het geheel niet heeft verricht, zal de schuldenaar die stelt wel betaald of geleverd te hebben in de regel met het bewijs daarvan worden belast. Gaat het daarentegen om een ondeugdelijke prestatie, dan zal de schuldeiser zulks in de regel moeten bewijzen, aldus Sieburgh.5
Het is een kwestie van uitleg van de overeenkomst of de verrichte prestatie, dan wel het uitblijven ervan, achter blijft bij wat de overeenkomst in het concrete geval eist.6 Als de inhoud van de verplichting is vastgesteld, kan worden beoordeeld of in de nakoming daarvan is tekortgeschoten. De uitleg van de overeenkomst zal geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf.7
Indien de overeenkomst buitengerechtelijk wordt ontbonden, zal de schuldeiser voorts dienen te stellen en zo nodig te bewijzen dat aan de vereisten van art. 6:267 lid 1 BW is voldaan. Dit houdt naar de kern in dat de ontbinding is geschied door middel van een schriftelijke verklaring dan wel, indien van toepassing, langs elektronische weg. De verklaring zal de schuldenaar moeten hebben bereikt om werking toe te komen.8
Ontbinding gerechtvaardigd, tenzij ā¦
Hoofdregel is dat de schuldeiser in beginsel recht heeft op ontbinding ingeval van tekortkoming in de nakoming van een opeisbare verbintenis. Het maakt in beginsel geen verschil of de niet-nakoming totaal, gedeeltelijk of kwalitatief van aard is.9 De schuldeiser heeft de vrijheid te kiezen tussen een algehele ontbinding of een gedeeltelijke ontbinding. Over deze keuzevrijheid beschikt de schuldeiser ook als de tekortkoming slechts een gedeelte van de verschuldigde prestatie betreft, of wanneer zij uit een niet-behoorlijke nakoming bestaat.10 Een belangrijke uitzondering op voornoemde hoofdregel volgt uit de zinsnede in de wettelijke bepaling ātenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigtā. Zoals ook volgt uit de tekst (ātenzijā) en voorts is uitgemaakt in vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, rusten op de tekortschietende partij de stelplicht en de bewijslast dat de tekortkoming deze ontbinding niet rechtvaardigt.11 De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciĆ«le beslissing van 28 september 2018 uitdrukkelijk bevestigd dat het aan de schuldenaar is om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling. Deze verdeling van de stelplicht past ook bij het gegeven dat de omstandigheden die een beroep op de tenzij-bepaling ondersteunen veelal in het domein van de schuldenaar zullen liggen.12 Het standpunt van de schuldenaar dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt, betreft dan ook een (bevrijdend) verweer.
Dat het aan de schuldenaar is om zich op de tenzij-bepaling te beroepen, sluit niet uit dat onder omstandigheden in de betwisting van de schuldenaar dat sprake is van een tekortkoming, afhankelijk van de daartoe aangevoerde feiten en omstandigheden, het (subsidiaire) verweer besloten kan liggen dat de tekortkoming āĀ indien deze in rechte wordt aangenomenĀ ā gelet op de omstandigheden van het geval niet de gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Of dat zo is, is een kwestie van uitleg van de stellingen van de schuldenaar en zal mede ervan afhangen of een dergelijk (subsidiair) betoog voor de schuldeiser voldoende kenbaar was.13
Hierbij wordt aangetekend dat de beantwoording van de vraag of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt een normatieve beoordeling behelst door de rechter die zich als zodanig niet leent voor bewijslevering. De stelplicht en de bewijslast hebben betrekking op feiten en omstandigheden die voor die normatieve beoordeling van belang zijn.14 Er wordt voorts op gewezen dat het gaat om deze ontbinding, waarmee wordt bedoeld de door de schuldeiser gekozen vorm van ontbinding. De schuldeiser kiest een gehele of (een bepaalde vorm van) gedeeltelijke ontbinding. Vervolgens zal dienen te worden beoordeeld of deze ontbinding gerechtvaardigd is gelet op de tekortkoming, waarbij, het zij herhaald, de stelplicht en bewijslast rusten op de schuldenaar.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een gebrek dat aan het licht komt na het uitbrengen van de ontbindingsverklaring van belang kan zijn voor de beoordeling van de vraag of de ontbinding is gerechtvaardigd.15 De schuldeiser zou zich dus, in reactie op het verweer van de schuldenaar dat de ontbinding in dit geval niet gerechtvaardigd was, kunnen beroepen op aanvullende gebreken. De stelplicht en bewijslast van dergelijke aanvullende gebreken zullen, conform de hoofdregel van art. 150 Rv, op de schuldeiser rusten.
Tot slot wordt nog gewezen op het volgende. De Hoge Raad heeft in bovengenoemde prejudiciĆ«le beslissing van 28 september 2018 āĀ die betrekking had op de ontbinding van een overeenkomst tot (ver)huur van sociale woonruimteĀ ā overwogen dat het aan de feitenrechter is om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden. Hieraan heeft de Hoge Raad toegevoegd dat de rechter ook beoordelingsruimte heeft indien tegen de huurder verstek is verleend; wel vindt deze rechterlijke beoordeling vanzelfsprekend (ook in verstekzaken) haar praktische begrenzing erin dat de rechter slechts rekening kan houden met de voor hem kenbare feiten en omstandigheden (rov. 3.9). De Hoge Raad wijkt hier ingeval van verstekzaken dus af van het uitgangspunt dat het aan de schuldenaar (huurder) is om zich te beroepen op toepassing van de tenzij-bepaling.16 Dit komt in feite neer op de ambtshalve toepassing van een niet gevoerd verweer. In hoeverre de rechter invulling moet geven aan deze ambtshalve toetsing is (nog) niet duidelijk.17 Gedacht kan worden aan toepassing van art. 21 en 22 Rv.18
Schuldenaar beroept zich op gedane ontbinding
Het is mogelijk dat, indien een schuldeiser zich beroept op een overeenkomst āĀ bijvoorbeeld indien de schuldeiser nakoming van een verbintenis uit die overeenkomst vordertĀ ā de schuldenaar zich verweert met de stelling dat de schuldeiser de overeenkomst reeds heeft ontbonden. In dat geval zullen de stelplicht en de bewijslast spiegelbeeldig zijn, ten opzichte van de situatie dat de schuldeiser zich op de ontbinding beroept. Dit betekent dat op de schuldenaar die zich beroept op een gedane ontbinding, de stelplicht en de bewijslast rusten dat de overeenkomst aldus is ontbonden.
De schuldenaar zal dienen te stellen dat, in geval van een buitengerechtelijke ontbinding, de schuldeiser een ontbindingsverklaring heeft uitgebracht. Indien de schuldenaar daarin slaagt, zou de schuldeiser in reactie daarop kunnen aandragen dat die ontbindingsverklaring niet gerechtvaardigd was, omdat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding niet rechtvaardigde. Op de schuldeiser, die zich alsdan beroept op de uitzondering van art. 6:265 lid 1 BW, rusten dan de stelplicht en de bewijslast van omstandigheden die zien op de tenzij-bepaling. Hierbij wordt opgemerkt dat in het algemeen geldt dat de schuldeiser die een ontbindingsverklaring heeft uitgebracht, hiervan niet kan terugkomen.19 Gelet daarop zou kunnen worden betoogd dat de schuldeiser zich er evenmin op kan beroepen dat een door hem gedane ontbindingsverklaring geen doel heeft getroffen. De Hoge Raad heeft (evenwel) geoordeeld dat een niet-gerechtvaardigde ontbindingsverklaring niet het beoogde rechtsgevolg heeft; zij leidt op zichzelf niet tot de ontbinding van de overeenkomst. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat, hoewel volgens de Toelichting Meijers een niet-gerechtvaardigde ontbindingsverklaring nietig is, daarmee geen nietigheid in de zin van art. 3:40 BW wordt bedoeld.20 Mijns inziens kan uit deze uitspraak worden afgeleid dat ook de schuldeiser zich erop kan beroepen dat de door hem gedane ontbindingsverklaring een niet-gerechtvaardigde ontbindingsverklaring betreft en daarom niet het beoogde rechtsgevolg heeft.
Aanvullend recht
Opgemerkt zij dat art. 6:265 lid 1 BW van aanvullend recht is. Het staat partijen dus in beginsel vrij om daarvan bij overeenkomst af te wijken.21 De partij die zich erop beroept dat er een van deze wettelijke regeling afwijkende afspraak is gemaakt, draagt de stelplicht en de bewijslast hiervan overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv.
Verzuim (lid 2)
Het tweede lid bepaalt dat indien nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de schuldenaar eerst in verzuim moet zijn voordat de bevoegdheid tot ontbinding ontstaat. Het verzuim en de onmogelijke nakoming is geregeld in art. 6:81 BW. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv is het aan de schuldeiser die zich op de ontbinding beroept, de feiten te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de schuldenaar in verzuim is. Voor zover de schuldeiser zich erop beroept dat verzuim niet vereist is omdat sprake is van blijvende onmogelijkheid, dient de schuldeiser feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit die blijvende onmogelijkheid volgt.22 In afwijking van art. 6:74 BW geldt het verzuimvereiste evenmin voor zover de nakoming tijdelijk onmogelijk is. Zoals op de schuldeiser de stelplicht en de bewijslast zullen rusten van de blijvende onmogelijkheid, zullen op hem ook de stelplicht en de bewijslast rusten van de tijdelijke onmogelijkheid.
In de Toelichting-Meijers is in dit kader opgemerkt dat bij een niet toerekenbare verhindering die zich als van tijdelijke aard laat aanzien, de crediteur niet met minder geduld ten opzichte van de wederpartij kan volstaan dan wanneer deze wel zou moeten worden aangemaand.23 Op de tekortschietende schuldenaar rusten de stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden op grond waarvan ontbinding zonder termijnstelling in concreto naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.24
Voetnoten
1.
Van Boom, GS Verbintenissenrecht, commentaar op art. 6:267 BW.
2.
De wet bevat te dienaangaande vier schakelbepalingen, te weten art. 6:213 lid 2, 6:216, 6:261 lid 2 en 6:279 lid 1 BW. Zie Bakels, Ontbinding van overeenkomsten (Mon. BW nr. B58) 2011/22; Asser/Sieburgh 6-III 2022/713 en 714.
3.
Van Boom, GS Verbintenissenrecht, art. 6:265 BW, aant. 5; HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, NJ 2019/446 (Eigen Haard), rov. 3.6. Zie nader: Asser/Sieburgh 6-III 2022/681 en Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74 BW.
4.
Van Schaick, āWie bewijst de (niet-)nakomingā, NTBR 2010/40, p. 339-340. Zie hierover voorts Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:74 BW.
5.
Asser/Sieburgh 6-I 2024/370.
6.
Bakels, Ontbinding van overeenkomsten (Mon. BW nr. B58) 2011/26.
7.
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 (Haviltex); HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493 m.nt. Du Perron (DSM/Fox).
8.
Zie hierover Ter Heide, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:37 BW.
9.
TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 1004.
10.
TM, Parl. Gesch BW Boek 6, p. 1004-1005; VV II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 1008; MvA II, Parl Gesch. Boek 6, p. 1011-1012. Zie voorts: Stolp, Ontbinding, schadevergoeding en nakoming, (diss. Nijmegen), 2007, 6.2.
11.
HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4122, NJ 2007/343, rov. 5.2; HR 31 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1217, NJ 1994/317; Van Boom, GS Verbintenissenrecht, art. 6:265 BW, aant. 5; Olthof in: T&C BW, art. 6:265 BW, aant. 4,onder e.
12.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, NJ 2019/446 m.nt. Hijma, rov. 3.6. Zie ook de prejudiciƫle beslissing van de Hoge Raad van 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799, rov. 3.2.5 en 3.4.2 (eerste zin).
13.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810, NJ 2019/446 m.nt. Hijma, rov. 3.7; HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799, rov. 3.2.5.
14.
Zie bijvoorbeeld Hof ās-Hertogenbosch 13 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4091, rov. 6.5.1-6.5.4 en Hof Amsterdam 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2934, rov. 5.6-5.8.
15.
HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4850, NJ 2008/605 (Pouw/Visser), rov. 6.
16.
Zie de noot van Hijma in NJ 2019/446 onder 16.
17.
Zie de noot van Lock in JBPR 2018/61 onder 5-17.
18.
Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren (BPP nr. XXII) 2023/389.
19.
Bakels, Ontbinding van overeenkomsten (Mon. BW nr. B58) 2011/15 en 17.
20.
HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1684, NJ 2012/684 m.nt. Tjong Tjin Tai, rov. 3.3.1.
21.
HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1071, NJ 2023/245 (Beachhotel/Vastgoed), rov. 3.2.
22.
Valk, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:81 BW. Zie voorts: Van Boom, GS Verbintenissenrecht, art. 6:265 BW, aant. 5.
23.
TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 1004.
24.
Bakels, Ontbinding van overeenkomsten (Mon. BW nr. B58) 2011/29d.