Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.19.7.1
IV.19.7.1 Duitsland
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS374132:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG, Rn. 72a.
Zie Dannecker 2013, p. 216 e.v.
Dannecker 2013, p. 235.
Dannecker 2013, p. 235.
Kopp/Ramsauer 2014, § 48 VwVfG Rn. 36.
Voorts zijn in het Verwaltungsvollstreckungsgesetz bepalingen neergelegd met betrekking tot bestuursrechtelijke handhaving. Over de intrekking van beschikkingen bij wijze van (bestraffende) sanctie zijn in deze wet echter geen bepalingen opgenomen.
Vgl. art. II eerste lid van het Gesetz über die Konvention zum Schutze der Menschenrechte und Grundfreiheiten (Bundesgesetzblatt 1952, blz. 685 e.v.): ‘Die Konvention wird nachstehend mit Gesetzeskraft veröffentlicht.’
Deze laatste benadering wordt ook wel de Vollzugslehre genoemd, de eerste wordtaangeduid als Transformationstheorie. Vgl. Klein 2014, p. 190.
§ 90 e.v. Bundesverfassungsgerichtsgesetz.
BVerfGE 4 mei 2011, NJW 2011/1931. Zie hierover meer uitgebreid Grabenwarter en Pabel 2012, p. 10 e.v. en Klein 2014.
In de literatuur met betrekking tot de §§ 48 en 49 VwVfG wordt slechts zeer summier aandacht besteed aan het mogelijk bestraffende karakter van een intrekking. In het commentaar van Kopp en Ramsauer valt ten aanzien van de intrekking van een Leistungs-beschikking wegens het niet handelen overeenkomstig de aan de beschikking verbonden voorwaarden te lezen:
‘Verschulden des Zuwendungsempfängers im Hinblick auf die Nichterfüllung von Auflagen ist grundsätzlich nicht erforderlich. […] Es geht nicht um die Ahndung eines Fehlverhaltungens, sondern um die Sicherung der an Verhaltenserwartungen, die mit den Auflagen zum Zuwendungsbescheid verbunden werden.’1
Evenals in het Nederlandse recht, wordt in het Duitse recht onderscheid gemaakt tussen herstelsancties en bestraffende sancties.2 De algehele opvatting lijkt te zijn dat een intrekking op grond van de §§ 48 en 49 VwVfG niet als bestraffende sanctie kan worden opgevat. Ten aanzien van de intrekking op grond van § 48 VwVfG merkt Dannecker in dat kader het volgende op:
‘An administrative agency can subsequently annul a (benefiting) illegal administrative decision by way of withdrawal. A withdrawal, thus, serves to restore […] the legal condition that would have existed if the advantage had been denied. Consequently, this is a measure that is remedial in nature.’3
Eenzelfde redenering wordt gehanteerd ten aanzien van de intrekking op grond van § 49 VwVfG.4 Met beide bepalingen wordt dus, althans dat is de opvatting in de literatuur, enkel beoogd de rechtmatige situatie te herstellen. Uit de tekst van de bepalingen valt een en ander echter niet af te leiden. Een verdergaande intrekking dan een intrekking bij wijze van herstel zou ook mogelijk zijn. Denkbaar is wel dat op grond van het evenredigheidsbeginsel niet meer mag worden ingetrokken, dan hetgeen herstel van de rechtmatige situatie dient. Dan zou bijvoorbeeld alleen de subsidie die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verkregen, worden ingetrokken. Een andere verklaring is dat een bestraffende intrekking wellicht wel mogelijk is, maar niet op grond van de §§ 48 en 49 VwVfG. Zoals reeds opgemerkt bieden genoemde bepalingen geen sluitende regeling inzake de intrekking van beschikkingen, maar is veelal de bijzondere wet van belang. Ook in de literatuur wordt erkend dat in een dergelijke regeling een verdergaande bevoegdheid tot intrekking is neergelegd.5,6
Met het voorgaande hangt samen dat in de literatuur en jurisprudentie geen relatie wordt gelegd tussen de §§ 48 en 49 VwVfG en art. 6 EVRM. Laatstgenoemd artikel schrijft voor dat wanneer sprake is van een criminal charge, bepaalde waarborgen in acht genomen moeten worden. Het EHRM legt het begrip criminal charge autonoom uit. Niet doorslaggevend is dus de kwalificatie van de sanctie naar nationaal recht. Daarbij moet worden opgemerkt dat de positie van het EVRM in de Duitse rechtsorde anders is dan in de Nederlandse rechtsorde het geval is. In dat kader is art. 59 lid 2 Grundgesetz van belang. Deze bepaling luidt:
‘Verträge, welche die politischen Beziehungen des Bundes regeln oder sich auf Gegenstände der Bundesgesetzgebung beziehen, bedürfen der Zustimmung oder der Mitwirkung der jeweils für die Bundesgesetzgebung zuständigen Körperschaften in der Form eines Bundesgesetzes. […].’
Verdragen als het EVRM maken op grond van art. 59 lid 2 GG door middel van een Zustimmungsgesetz deel uit van de Duitse rechtsorde. Het EVRM verkrijgt daardoor de status van bondswet.7 Er is dus niet zozeer sprake van het omzetten van het EVRM naar nationaal recht, maar meer van het bij wet bepalen, of beter gezegd toestaan dat het EVRM deel uitmaakt van de nationale rechtsorde.8 Formeel heeft het EVRM dus de status van een bondswet. In de hiërarchie van wetgeving staat het EVRM aldus onder het Grundgesetz. Toch blijkt de status van het EVRM een bijzondere. De grondrechten neergelegd in het EVRM blijken betekenis te kunnen hebben in het kader van een zogenaamde Verfassungsbeschwerde,9 een procedure bij het Bundesverfassungsgericht inzake een vermeende grondwetsschending. Hoewel in een dergelijke procedure wordt getoetst of een bepaling van de grondwet is geschonden, spelen, naar het oordeel van het Bundesverfassungsgericht, ook de bepalingen van het EVRM een rol:
‘Die hier einschlägigen Grundrechte des Art. GG Artikel 2 GG Artikel 2 Absatz II 2 i. V. mit Art. GG Artikel 104 GG Artikel 104 Absatz I 1 GG und Art. GG Artikel 2 GG Artikel 2 Absatz II 2 i. V. mit Art. GG Artikel 20 GG Artikel 20 Absatz III GG sind völkerrechtsfreundlich auszulegen. Die EMRK (BdK: Europäischen Menschenrechtskonvention) steht zwar innerstaatlich im Rang eines Bundesgesetzes und damit unter dem Grundgesetz […]. Sie ist jedoch als Auslegungshilfe bei der Auslegung der Grundrechte und rechtsstaatlichen Grundsätze des Grundgesetzes heranzuziehen […].Diese verfassungsrechtliche Bedeutung der EMRK und damit auch der Rechtsprechung des EGMR (BdK: Europäischer Gerichtshof für Menschenrechte) beruht auf der Völkerrechtsfreundlichkeit des Grundgesetzes und seiner inhaltlichen Ausrichtung auf die Menschenrechte […].’10