Einde inhoudsopgave
Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (FM nr. 147) 2016/II.5.10.2
II.5.10.2 Verklaring gelijkschakeling obligaties met aandelen
W.J. Blokland, datum 01-06-2016
- Datum
01-06-2016
- Auteur
W.J. Blokland
- JCDI
JCDI:ADS500351:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
A-G Fennelly, conclusie bij: HvJ 6 februari 1997, zaak C-80/95, BNB 1997/386 (concl. A-G Fennelly; Harnas & Helm; m.nt. M.E. van Hilten), punt 32.
Vgl. A-G Fennelly, conclusie bij: HvJ 6 februari 1997, zaak C-80/95, BNB 1997/386 (concl. A-G Fennelly; Harnas & Helm; m.nt. M.E. van Hilten), punt 32.
Vgl. A.H. Bomer & H.W.M. van Kesteren, ‘De houdstermaatschappij: geknipt voor de BTW’, WFR 1999/264, onderdeel 3.2-3.4.
HvJ 14 november 2000, zaak C-142/99, FED 2001/179, r.o. 30 (Floridienne/Berginvest; m.aant. J.J.P. Swinkels); HvJ 29 april 2004, zaak C-77/01, BNB 2004/285, r.o. 69 (concl. A-G Léger; EDM; m.nt. M.E. van Hilten).
Hoewel het Hof van Justitie de gelijkschakeling van aandelen en obligaties in het arrest in de zaak Harnas & Helm als logisch presenteert vanwege de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onderdeel f, Btw-richtlijn, is zij dat naar mijn mening niet. Vooral bij rente, maar ook bij een disconto, lijkt toch wel vrij duidelijk sprake van een quid pro quo en daarmee een rechtstreeks verband. Dat heeft de Franse regering ook naar voren gebracht. De vraag rijst daarom wat de gelijkschakeling van aandelen en obligaties kan verklaren, afgezien van dat zij in dezelfde vrijstellingsbepaling worden genoemd.
Het meest plausibel is naar mijn mening dat de perceptie is ontstaan dat de gelijkschakeling van obligaties met aandelen noodzakelijk is om particuliere beleggers in obligaties buiten het omzetbelastingstelsel te houden. A-G Fennelly benoemt dit in zekere zin ook in zijn conclusie in de zaak Harnas & Helm.1 De gedachte is schijnbaar dat het houden van obligaties vrijwel steeds een exploitatie van een vermogensbestanddeel is om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen als het een verlening van krediet onder bezwarende titel zou zijn. Een andere mogelijke verklaring is dat het Hof van Justitie in het algemeen hecht aan de gelijkenissen tussen aandelen en obligaties, al dan niet omdat bepaalde verschijningsvormen van obligaties op aandelen kunnen lijken.2 Verder kunnen zowel aandelen als obligaties op een effectenbeurs worden geplaatst, aldaar worden verhandeld en zijn het in potentie geschikte beleggingsobjecten voor particulieren. Het is denkbaar dat het Hof van Justitie heeft verondersteld dat zich daarom tussen aandelen en obligaties meer substitutie-effecten voordoen dan tussen obligaties en onderhandse leningen. De activiteit van zowel een aandeelhouder als een obligatiehouder kan daarbij tamelijk passief blijven in vergelijking met de bezigheid van, bijvoorbeeld, de verstrekker van een onderhandse geldlening. De verstrekker van een onderhandse geldlening zal, onder meer, moeten onderhandelen over de leningsvoorwaarden.3
Deze verklaringen overtuigen mij niet. Dat de gelijkschakeling van aandelen en obligaties nodig is om particuliere beleggers buiten het omzetbelastingstelsel te houden, is mijns inziens een misvatting. Belastingplicht ontbreekt, naar ik aanneem tenminste, ook bij het verstrekken van een onderhandse lening of het aanhouden van een deposito als particuliere belegger, ofschoon daarbij wel sprake is van presteren onder bezwarende titel (zie par. 6.4.2 en 6.5.2.1).4 Particuliere beleggers behoren naar mijn mening althans steeds buiten het omzetbelastingstelsel te blijven vanwege het ontbreken van professionaliteit (zie par. 3.2.4).