Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/IV.18.6
IV.18.6 Compensatie (lid 6)
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377678:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Vertrauensschaden.
Vgl. Knack/Henneke 2010, § 49 VwVfG Rn. 85.
Maurer 2011, p. 322. Kopp en Ramsauer zien in uitzonderingsgevallen een mogelijkheid om ook in geval van intrekking op grond van § 49 lid 2 aanhef en onder 1 en 2 VwVfG te voorzien in compensatie. Zie Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 82.
Of, zoals Maurer stelt: ‘Der Widerrufsvorbehalt hat gerade den Sinn, den Betroffenen auf die Möglichkeit des späteren Widerrufs hinzuweisen und damit die Entstehung eines Vertrauensschutztatbestandes zu verhindern.’ Zie Maurer 2011, p. 322. Vgl. voorts Knack/Henneke 2010, § 49 VwVfG Rn. 86, Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 49 VwVfG Rn. 119.
Vgl. Knack/Henneke 2010, § 49 VwVfG Rn. 87, Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 81a, Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 49 VwVfG Rn. 119.
BVerwGE 18 juli 2012, zaaknr. 8 C 4.11.
Stelkens/Bonk/Sachs 2014, § 49 VwVfG Rn. 122, Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 81.
Zie hierover meer uitgebreid paragraaf 17.5.2. Zie voorts Knack/Henneke 2010, § 49 VwVfG Rn. 91, Kopp/Ramsauer 2014, § 49 VwVfG Rn. 83-84, Erichsen/Brügge 1999 (2), p. 501, Ehlers/Schröder 2010 (2), p. 830-831.
Op grond van § 49 lid 6 VwVfG heeft de geadresseerde onder omstandigheden recht op schadevergoeding. Het betreft een vergoeding van schade die is geleden, omdat de geadresseerde erop heeft vertrouwd dat de beschikking in stand zou blijven.1 Vereist is in de eerste plaats dat het een begunstigende beschikking betreft welke is ingetrokken. Immers, in § 49 lid 6 VwVfG wordt enkel verwezen naar § 49 lid 2 aanhef en onder 3-5 VwVfG, welk artikellid ziet op de intrekking van begunstigende beschikkingen.2 In de tweede plaats dient de beschikking te zijn ingetrokken op de gronden genoemd in § 49 lid 2 aanhef en onder nrs. 3-5 VwVfG. Het betreft respectievelijk de intrekking vanwege gewijzigde feiten (sub 3), de intrekking vanwege wijziging van het recht (sub 4) en intrekking ter voorkoming van ernstige schade voor het algemeen welzijn (sub 5). In andere gevallen, zo meent de wetgever, kan geen sprake zijn van vertrouwen aan de zijde van de geadresseerde.3 Betreft het de intrekking op grond van een daartoe aan de beschikking verbonden voorbehoud (§ 49 lid 2 aanhef en onder 1 VwVfG), dan is de gedachte dat de geadresseerde rekening dient te houden met een mogelijke intrekking. Immers, in het voorbehoud is bepaald in welke gevallen het bestuursorgaan tot intrekking zal overgaan. De geadresseerde weet aldus dat bepaalde situaties zullen leiden tot intrekking van de beschikking.4 De reden voor intrekking kan ook gelegen zijn in het handelen van de geadresseerde zelf. Dat is het geval indien hij handelt in strijd met de aan de beschikking verbonden voorwaarden (§ 49 lid 2 aanhef en onder 2, respectievelijk § 49 lid 3 aanhef en onder 2 VwVfG) dan wel indien de beschikking niet wordt aangewend voor het in de beschikking genoemde doel (§ 49 lid 3 aanhef en onder 1 VwVfG). Omdat de reden voor intrekking gelegen is in het handelen van de geadresseerde zelf, kan ook hier geen sprake zijn van vertrouwen op het in stand blijven van de beschikking.5
Voorts is voor schadevergoeding vereist dat de geadresseerde heeft vertrouwd op het in stand blijven van de beschikking en dit vertrouwen beschermenswaardig is. Hoewel de wettekst voor wat betreft de vraag of het vertrouwen van de begunstigde beschermenswaardig is, slechts verwijst naar § 48 lid 3 derde t/m vijfde volzin VwVfG, geldt, gelet op de jurisprudentie van het Bundesverwaltungsgericht, dat § 48 lid 3 VwV in het geheel van toepassing is.6 Ook hier geldt dus dat een afweging moet worden gemaakt tussen het algemeen belang dat is gediend met de intrekking en het vertrouwen van de begunstigde.7 Evenals bij § 48 lid 3 VwVfG geldt ook hier dat wanneer het vertrouwen beschermenswaardig wordt geoordeeld, slechts het zogenaamde negative Interesse wordt vergoed, dat wil zeggen dat de begunstigde in de positie moet worden gebracht als ware de beschikking niet gegeven.8