Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/1.5:1.5 Bronnen en onderzoeksmethodiek
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/1.5
1.5 Bronnen en onderzoeksmethodiek
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS572317:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze opvatting, maar dan zonder de verplichting om de inspecteur van alle relevante feiten en omstandigheden op de hoogte te stellen, is in de Nederlandse literatuur terug te vinden in P.J. Wattel, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 1989, p. 55 en W.E.C.A. Valkenburg, J.H. van der Werff, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 61, 62.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In essentie ziet dit onderzoek op de beantwoording van twee vragen naar huidig recht: de vraag wanneer een standpunt pleitbaar is en de vraag wanneer een pleitbaar standpunt tot afwezigheid van opzet leidt. Deze vragen worden voor twee rechtsgebieden – het fiscale strafrecht en het fiscale boeterecht – beantwoord. Vervolgens wordt de tweede vraag nog een keer beantwoord, maar dan vanuit een normatieve invalshoek, naar wenselijk recht, om te komen tot een eenduidige behandeling van het pleitbaar standpunt verweer voor beide rechtsgebieden.
De beantwoording van de twee vragen naar huidig recht vindt in de hoofdstukken 2 tot en met 4 plaats. Het pleitbaar standpunt begrip is geen wettelijk begrip, maar een begrip waarvan zowel de invulling als de invloed in de jurisprudentie is vormgegeven. De bevindingen in deze hoofdstukken zijn daarom gebaseerd op beschrijvend en intern rechtsvergelijkend onderzoek, voornamelijk van de jurisprudentie in het fiscale straf- en het fiscale boeterecht.
De eerste vraag wordt in hoofdstuk 2 beantwoord door middel van beschrijvend onderzoek van de fiscale boetejurisprudentie. Voor interne rechtsvergelijking is in dit hoofdstuk weinig gelegenheid omdat de strafkamer van de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgelaten over de invulling van het pleitbaar standpunt begrip.
Voordat aan de beantwoording van de tweede vraag, de vraag wanneer een pleitbaar standpunt tot het ontbreken van opzet leidt, kan worden toegekomen moet eerst duidelijk zijn hoe de straf- en boetebepalingen die verband houden met het doen van een onjuiste aangifte eruit zien, hoe de subjectieve bestanddelen in deze straf- en boetebepalingen zijn ingevuld en of er verschillen tussen het fiscale straf- en boeterecht (hebben) bestaan. Dit wordt met behulp van beschrijvend en intern rechtsvergelijkend onderzoek in beeld gebracht. Daarbij heb ik gebruikgemaakt van handboeken en literatuur over het materiële strafrecht, het fiscale strafrecht en het fiscale boeterecht. Met name over de invulling van de subjectieve bestanddelen in het fiscale boete- en strafrecht is echter weinig literatuur voorhanden. De bevindingen hierover zijn daarom vooral gebaseerd op onderzoek van de jurisprudentie in het strafrecht, het fiscale strafrecht en het fiscale boeterecht.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 de tweede vraag beantwoord door middel van beschrijvend en rechtsvergelijkend onderzoek van de fiscale boete- en strafjurisprudentie.
De beantwoording van de tweede vraag naar wenselijk recht – de vraag wanneer en hoe (wegens het ontbreken van opzet of op andere wijze) een pleitbaar standpunt zowel in het fiscale boete- als in het fiscale strafrecht tot straffeloosheid zou moeten leiden – vindt plaats in hoofdstuk 6. Voordat daartoe kan worden overgegaan, moeten eerst de uitgangspunten worden geformuleerd waaraan een voorstel voor een eenduidige behandeling zou moeten voldoen. In hoofdstuk 5 wordt door middel van onderzoek in de rechtshistorie en in de literatuur op zoek gegaan naar deze uitgangspunten. In dit hoofdstuk wordt voorts met behulp van externe rechtsvergelijking onderzocht of het pleitbare standpunt of een daarmee vergelijkbaar begrip in het fiscale sanctierecht buiten de Nederlandse grenzen een rol speelt. Hiermee heb ik de behandeling van het pleitbaar standpunt verweer in de Nederlandse jurisprudentie van een perspectief willen voorzien. Omdat ik de wetgeving en jurisprudentie zelf heb willen interpreteren, is alleen sanctierecht uit Duits- en Engelstalige landen voor deze rechtsvergelijking in aanmerking gekomen. In dit onderzoek wordt ingegaan op het Duitse fiscale sanctierecht omdat het innemen van een onjuist, maar pleitbaar standpunt in dat recht wel van invloed is op de mogelijkheden om te beboeten of te bestraffen, maar een andere invloed heeft dan in Nederland. Volgens de Duitse jurisprudentie kan het innemen van een onjuist rechtskundig standpunt namelijk niet tot een onjuiste aangifte leiden, zolang de belastingdienst maar van alle relevante feiten en omstandigheden op de hoogte is gesteld.1 Omdat ik mij, gezien de overeenkomsten tussen het Oostenrijkse en het Duitse recht, afvroeg of het innemen van een onjuist rechtskundig standpunt in de Oostenrijkse jurisprudentie dezelfde gevolgen heeft als in de Duitse jurisprudentie, is ook het Oostenrijkse fiscale sanctierecht in het onderzoek meegenomen. Tot slot is het fiscale sanctierecht van de Verenigde Staten onderzocht. Het pleitbaar standpunt begrip is in dat land niet in de jurisprudentie opgekomen en uitgewerkt, maar vormt een wettelijk begrip. Bovendien wordt in de wet- en regelgeving van de Verenigde Staten de mate waarin een standpunt pleitbaar is gekwantificeerd.