Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.12.3.4.2
III.12.3.4.2 Terminologie
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS378954:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2008/09, 32033, nr. 3, p. 8/9.
Achtereenvolgens: intrekking wegens overtreding, intrekking op grond van de Wet Bibob en intrekking wegens het driemaal afwijzen van een verzoek om bijschrijving als bedoeld in art. 30a lid 5 DHw.
Kamerstukken II 2008/09, 32022, nr. 3, p. 8.
Van Wijk/Konijnenbelt en Van Male 2011, p. 682. Zie bijvoorbeeld ABRvS 14 maart 2008, JV 2008/178 m.nt. Boeles.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Roermond 19 augustus 2008, ECLI:NL:RBROE:2008: BE8934.
Art. 6 WWM voorziet slechts in de mogelijkheid om aan de WWM-toestemming voorschriften te verbinden.
In de DHw wordt geen onderscheid gemaakt tussen het wijzigen van de voorschriften en het intrekking van de vergunning. In art. 31 DHw wordt enkel gesproken over de bevoegdheid tot intrekking van de DHw-vergunning.
Op grond van art. 30 DHw bestaat wel de mogelijkheid een gewijzigde vergunning te verlenen, indien de vergunde inrichting zodanig is veranderd dat zij niet meer overeenstemt met de eerder verleende vergunning. De vergunninghouder moet daartoe van de wijziging van de inrichting melding doen bij de burgemeester.
Daarnaast kent de DHw de figuur van de schorsing (art. 32 DHw). Reden voor invoering van de bevoegdheid tot schorsing was dat intrekking in sommige situaties werd geacht een te ingrijpend middel te zijn. De schorsing werd gezien als een instrument waarmee ‘op maat’ op een concrete situatie kon worden gereageerd.1 Schorsing kan enkel plaatsvinden indien zich een van de intrekkingsgronden genoemd in art 31 leden 2 en 3 DHw voordoen.2 Een vraag die gesteld kan worden is wat nu precies de juridische gevolgen zijn van een schorsing. In de memorie van toelichting wordt hierover opgemerkt dat deze figuur is geïntroduceerd omdat intrekking van de vergunning onder omstandigheden als een te zwaar middel wordt gezien.3 Hoewel de schorsing wellicht zou kunnen worden gezien als een tijdelijke intrekking, lijkt het meer voor de hand te liggen dat met de schorsing enkel wordt beoogd de rechtsgevolgen van het geschorste besluit voor een bepaalde periode op te schorten.4 Het geschorste besluit blijft dan als zodanig wel bestaan. Het onderscheid tussen tijdelijke intrekking en schorsing is met name van belang ingeval van overtreding. Indien de DHw-vergunning is geschorst en de vergunninghouder blijft de vergunde activiteit continueren, dan handelt hij in strijd met het schorsingsbesluit. Is de DHw-vergunning (tijdelijk) ingetrokken en worden de eerder vergunde activiteiten gecontinueerd, dan wordt gehandeld met het verbod van art. 3 lid 1 DHw. De parlementaire geschiedenis zwijgt echter over wat nu de precieze de rechtsgevolgen van een schorsing zijn.
Voorts kent de DHw de figuur van het vervallen van de vergunning ingeval zich een van de gronden genoemd in art. 33 DHw voordoet. Waar voor intrekking of wijziging een door het bestuursorgaan genomen besluit nodig is, vervalt de vergunning van rechtswege.5 Er is dus geen sprake van een door het bestuursorgaan genomen besluit met een mogelijkheid tot belangenafweging. Gevolg van het vervallen van de vergunning is, dat de eerder vergunde activiteit niet meer mag worden uitgeoefend. Gebeurt dit wel, dan wordt gehandeld in strijd met het verbod van art. 3 DHw.
In de WWM worden de termen wijzigen en intrekken gebruikt. Op grond van art. 7 lid 2 WWM kan een op grond van die wet verleende toestemming worden gewijzigd of ingetrokken indien zich een van de daar genoemde gronden voordoet. De term wijzigen in deze bepaling lijkt, in ieder geval gelet op de tekst van de bepaling, ruimer te zijn dan het enkele wijzigen van de aan de vergunning verbonden voorschriften. Er wordt immers gesproken over het wijzigen van de vergunning. Nu een aparte bepaling inzake het wijzigen van aan de vergunning verbonden voorschriften ontbreekt,6 lijkt het mij verdedigbaar dat een wijziging van de aan de vergunning genoemde voorschriften ook op grond van art. 7 WWM kan geschieden.