Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.1.1.1:III.5.1.1.1 Menselijke waardigheid als sociaal-ordeningsprincipe
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.1.1.1
III.5.1.1.1 Menselijke waardigheid als sociaal-ordeningsprincipe
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS453165:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De menselijke waardigheid kan worden gebruikt als principe om interpersoonlijke verhoudingen aan te geven. Sensen gebruikt deze visie op de menselijke waardigheid voornamelijk om aan te tonen dat de menselijke waardigheid niet alleen als absolute, innerlijke waarde moet worden gezien.1 Deze vorm van waardigheid is niet verbonden aan een inherente menselijke capaciteit, maar aan prestaties die de mens heeft geleverd of posities die hij bekleedt (en is niet in elke situatie gelijk: een verdachte kolonel heeft in het strafproces de status van een verdachte). Bij de menselijke waardigheid als ordeningsprincipe bezit de ene persoon, afhankelijk van bijvoorbeeld rang en functie, meer waardigheid dan een ander. Een voorbeeld van het gebruik van de menselijke waardigheid in deze zin in het strafrecht is de strafbaarstelling van belediging van de president of leden van het Koningshuis.2 Een bepaalde status is verbonden aan positie van de president of Koning. Het beledigen van de persoon die het ambt bekleedt, tast de status en dus de waardigheid van het ambt aan. Hierdoor is het strafwaardiger de Koning dan een burger te beledigen.
Voor het strafprocesrecht geeft deze visie op menselijke waardigheid echter nauwelijks houvast om het concept menselijke waardigheid toepasbaar te maken op de verhouding tussen de opsporende autoriteiten en verdachte burgers. Het bepaalt immers alleen een ‘rangorde’ op basis van waardigheid. Vertaald naar het strafprocesrecht kan dat betekenen dat aan opsporingsambtenaren meer waardigheid wordt toegekend dan aan verdachten, omdat de opsporende autoriteiten een belangrijkere maatschappelijke rol vervullen. Zij dragen onder meer bij aan de waarheidsvinding in strafzaken, criminaliteitsbestrijding en ordehandhaving. De sociale, maatschappelijke posities van opsporingsambtenaren en verdachten zijn derhalve ongelijk. In het oude Rome werden privileges toegekend aan personen met (meer) dignitas. Vanwege de belangrijkere bijdrage die opsporingsambtenaren aan de maatschappij leveren, kan worden voorgesteld dat zij daardoor ook privileges, in de zin van strafvorderlijke middelen, toekomen. Vanuit deze gedachte wordt echter geen begrenzing aangebracht in de machtstoekenning en - uitoefening. Iemand bezit de privileges vanwege zijn waardigheid, maar daarmee is niet bepaald of en in welke mate hij de waardigheid van een ander moet respecteren (zie paragraaf 1.1.2 hieronder) en welke middelen hij op welke wijze kan inzetten waardoor hij zich met waardigheid gedraagt (zie paragraaf 1.1.3). Naast de rol die de menselijke waardigheid als sociaal concept speelt, en waarmee kan worden beargumenteerd dat bij de ene functie bepaalde privileges horen, zijn andere uitwerkingen van het begrip ‘menselijke waardigheid’ nodig om de grenzen van toelaatbare inbreuken op de waardigheid te formuleren. Ik gebruik daarvoor hieronder de menselijke waardigheid als normatief argument en als cognitief concept. Bij het normatieve argument wordt bekeken hoe een ander menswaardig wordt behandeld, terwijl bij het cognitieve uitgangspunt wordt bekeken hoe de actor menswaardig handelt.3 Het onderhavige uitgangspunt wordt in het vervolg enkel gebruikt als argument voor bevoegdheidstoekenning en voor meer bevoegdheden voor ’hogere’ autoriteiten (vgl. een politieagent vs. een rechter- commissaris).