Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.3:III.5.3 Algemeen toetsingskader voor het concept menselijke waardigheid
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.3
III.5.3 Algemeen toetsingskader voor het concept menselijke waardigheid
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS453166:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk is de menselijke waardigheid als filosofisch en juridisch concept nader bekeken. De menselijke waardigheid is een vaag begrip waardoor het niet eenvoudig is te gebruiken als toetssteen voor de toepassing van opsporingsmethoden. Wanneer is een behandeling immers mensonwaardig? Als iemand als object, als dier, als computer wordt behandeld of als hij compleet wordt genegeerd? En wat maakt dat de mens of het mens-zijn altijd (ook) als mens moet worden behandeld? Ondanks de onduidelijkheid kunnen uit de filosofische literatuur en uit de jurisprudentie uitgangspunten worden afgeleid die de waardigheid en waardige behandeling van de mens preciseren. Op grond van het voorgaande kunnen mijns inziens uit de literatuur en jurisprudentie drie ijkpunten voor de toetsing van opsporingsmethoden aan de menselijke waardigheid worden geformuleerd. Dat zijn (1) de intrinsieke eer; (2) autonomie; en (3) gelijkheid. Deze ijkpunten staan in deze paragraaf centraal en worden concreter uitgewerkt voor de toetsing van opsporingsmethoden aan de menselijke waardigheid.
Hiermee worden in deze en de volgende paragraaf de antwoorden op de laatste drie deelvragen van dit hoofdstuk geformuleerd, te weten: (1) in welke mate komen de theoretische en positiefrechtelijke uitwerking van het concept menselijke waardigheid met elkaar overeen?; (2) aan welke criteria (uit de theorie en/of het positieve recht) moeten opsporingsmethoden worden beoordeeld op hun overeenstemming met het recht op respect voor menselijke waardigheid? en; (3) in hoeverre kan (neuro)geheugendetectie, in het licht van het recht op respect voor menselijke waardigheid, rechtmatig worden afgenomen in het Nederlandse strafprocesrecht? De eerste twee vragen worden hieronder gezamenlijk behandeld door de drie door mij op basis van het voorgaande geselecteerde ijkpunten te presenteren en concretiseren. In de volgende, afsluitende paragraaf 4 wordt het toetsingskader toegepast op de GKT (als testcase).
III.5.3.1 IJkpunt intrinsieke eerIII.5.3.2 IJkpunt autonomieIII.5.3.3 IJkpunt gelijkheid