Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/7.9
7.9 Geheimhoudingsplichten
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS597347:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De rechtspersoon waarvoor de arts, notaris enzovoort werkt, kan een afgeleide geheimhoudingsplicht hebben. Zie par. 10.2.1.
In het Duitse recht is Bott voorstander van toepassing van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid; zie Bott 2000, p. 219. Anders: Römmer-Collmann 1997, p. 194-195, die ervan uitgaat dat in een dergelijk geval kennis niet kan worden toegerekend. Overige Duitse rechtsliteratuur over geheimhoudingsplichten en kennistoerekening ziet slechts op situaties van kennisversplintering. Zie Schubert, MüKo BGB 2015, Rn. 50 en 52 bij § 166 BGB.
220. De betrokken functionaris of de rechtspersoon kan een plicht hebben om de hem bekende informatie geheim te houden. De functionaris zelf of de rechtspersoon kan een strafrechtelijk gesanctioneerde geheimhoudingsplicht hebben. Zo plegen artsen, advocaten en notarissen een misdrijf indien zij hun geheimhoudingsplicht schenden (art. 272 Sr).1 Datzelfde geldt voor functionarissen die bedrijfsgeheimen van hun (voormalige) werkgever of opdrachtgever schenden (art. 273 Sr). Ook handel met voorwetenschap en het wederrechtelijk meedelen van voorwetenschap is strafbaar (art. 14 Verordening Martkmisbruik (MAR) jo art. 1 WED). Daarnaast stelt de wet beperkingen aan het verwerken en verstrekken van persoonsgegevens in de Wet bescherming persoonsgegevens. Overtreding van de bepalingen van die wet kan leiden tot een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete (art. 65 en 66 Wbp).2 De rechtspersoon kan ook een contractuele geheimhoudingsplicht hebben.
Een geheimhoudingsplicht beperkt de betrokken functionaris in de maatregelen die hij naar aanleiding van de geheim te houden informatie kan treffen. Hij zal bijvoorbeeld niet zonder meer de wederpartij kunnen waarschuwen voor bepaalde omstandigheden. Dit brengt mee dat, indien aan de rechtspersoon wordt verweten dat hij bepaalde informatie niet heeft gebruikt, de rechtspersoon zal moeten uitleggen waarom dit in het onderhavige geval gerechtvaardigd was. Was het niet-gebruiken van de informatie inderdaad gerechtvaardigd, dan kan dat leiden tot het oordeel dat de kennis van de betrokken functionaris niet aan de rechtspersoon moet worden toegerekend, maar ook tot het oordeel dat dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om het rechtsgevolg te laten intreden van de aanwezigheid van bepaalde kennis bij de rechtspersoon (via de betrokken functionaris).3 Zie daarover de volgende paragraaf en par. 9.15.