Het pre-insolventieakkoord
Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/8.10:8.10 Vaststelling van betwiste vorderingen
Het pre-insolventieakkoord 2016/8.10
8.10 Vaststelling van betwiste vorderingen
Documentgegevens:
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag komt op hoe betwiste vorderingen in het kader van een akkoord moeten of kunnen worden behandeld. Meer specifiek rijst de vraag of een akkoordregeling uitsluitend kan voorzien in de wijziging, inperking of ontneming van vorderingen op basis van het gebrek aan liquiditeit en/of waarde, dan wel of een akkoordregeling ook kan voorzien in de vaststelling van betwiste vorderingen op basis van hun feitelijke en juridische merites.
Het surseance-akkoord kent geen regeling ter vaststelling van betwiste vorderingen. In het kader van een surseance-akkoord vindt geen verificatie plaats. De toelating van een betwiste vordering tot de stemming heeft uitsluitend betekenis voor de stemming. Daarmee komt de betwiste vordering nog niet vast te staan. Een schuldeiser met een betwiste vordering moet zijn vordering in een gewone civiele procedure (buiten het akkoord) laten vaststellen.
De onmogelijkheid betwiste vorderingen vast te stellen in het kader van een akkoord kan het tot stand brengen van een akkoord bemoeilijken. Dit kan het bijvoorbeeld moeilijk maken vast te stellen wie in the money is en wie niet. Dit kan ook het toekennen en/of doen van uitkeringen compliceren doordat reserveringen moeten worden aangehouden of uitkeringen een variabel of voorwaardelijk karakter moeten krijgen waardoor crediteuren niet precies weten wat zij zullen ontvangen en of zij vóór of tegen zouden moeten stemmen.
Ik signaleer als onderwerp voor nader onderzoek (dat buiten het bestek van dit boek valt) de vraag of het wenselijk en rechtstatelijk toelaatbaar is om een regeling in te voeren die het mogelijk zou maken om met behulp van een akkoord de omvang van betwiste vorderingen door middel van democratisch meerderheidsbesluit vast te stellen op basis van hun feitelijke en juridische merites los van de vraag naar de verhaalbaarheid van de vorderingen.
De werking van een dergelijke regeling zou ik mij als volgt voor kunnen stellen. De voorlopige toelating tot de stemming zou, net zoals thans onder het huidige recht het geval is, uitsluitend betekenis voor de stemming hebben. Daarmee zou het bestaan of de omvang van de betwiste vorderingen nog niet komen vast te staan.
Zou er een groep personen met vergelijkbare betwiste vorderingen bestaan, dan zou de omvang of zouden de uitgangspunten voor de vaststelling van de omvang van de vorderingen bij democratisch meerderheidsbesluit (dus bij stemming) van de betreffende klasse kunnen worden vastgesteld. Denk bijvoorbeeld aan een klasse van claimanten met betwiste schadeclaims wegens productenaansprakelijkheid of misleidende reclame of andere vormen van collectieve aansprakelijkheid (asbestclaims, woekerpolisclaims, etc.).
Stel bijvoorbeeld dat kopers van een bepaald product allen menen een vordering van 10 op de schuldenaar te hebben wegens non-conformiteit. De schuldenaar betwist aansprakelijkheid. Zou de schuldenaar in staat van (pre-)insolventie komen te geraken, dan zou de schuldenaar een akkoord kunnen aanbieden waarin hij onder meer bij wijze van schikking aan deze klasse van claimanten voorstelt ieders vordering vast te stellen op een bepaald bedrag (op basis van een weging van de feitelijke en juridische merites), bijvoorbeeld op de helft, in dit geval 5. Indien deze klasse met dit voorstel bij meerderheid zou instemmen en de rechter het akkoord zou homologeren, zouden daarmee ook de vorderingen van tegenstemmers op het bij wijze van collectieve schikking voorgestelde bedrag van in dit geval 5 komen vast te staan.
Stemt de klasse van betwiste claims tegen of bestaat er geen groep van personen met vergelijkbare betwiste vorderingen om de omvang ervan democratisch vast te kunnen stellen, dan zouden de betwiste vorderingen van de claimanten eventueel in het kader van de homologatieprocedure of alsnog in gewone bodemprocedures moeten worden vastgesteld.
Het is de vraag of de vaststelling van een betwiste vorderingen (van een tegenstemmende minderheid) door middel van meerderheidsbesluit of door middel van een cram down mechanisme verenigbaar is met fundamentele rechten zoals het recht op toegang tot de rechter en een fair trial (artikel 17 van de Grondwet en artikel 6 EVRM) en het recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 Eerste Protocol EVRM). De beantwoording van deze en gerelateerde vragen valt buiten het bestek van dit boek. Omdat de mogelijkheid om betwiste vorderingen bij democratisch besluit vast te stellen een doelmatige manier zou kunnen opleveren om betwiste massaclaims in het kader van insolventie af te wikkelen, acht ik dit onderwerp de moeite van verder onderzoek waard.