Het pre-insolventieakkoord
Einde inhoudsopgave
Het pre-insolventieakkoord 2016/8.12:8.12 Overzicht van de mogelijke procedure op hoofdlijnen
Het pre-insolventieakkoord 2016/8.12
8.12 Overzicht van de mogelijke procedure op hoofdlijnen
Documentgegevens:
N.W.A. Tollenaar, datum 16-10-2016
- Datum
16-10-2016
- Auteur
N.W.A. Tollenaar
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De procedure tot totstandbrenging van een pre-insolventieakkoord zou er zeer op hoofdlijnen als volgt uit kunnen zien.
Een schuldenaar zou het akkoordtraject zonder enige rechterlijke betrokkenheid kunnen inleiden door aan de betrokken vermogensverschaffers een akkoordvoorstel toe te zenden vergezeld van de noodzakelijke informatie om dat te beoordelen en een uiteenzetting van de klassenindeling en de verdere procedure.
De schuldenaar zou de crediteuren daarbij kunnen vragen hun vorderingen “in te dienen” of zich uit te laten over hun vorderingen of over de voorgestelde klassenindeling, maar zou dat niet noodzakelijkerwijs hoeven doen.
Belanghebbenden zijn verplicht eventuele bezwaren aan de aanbieder kenbaar te maken zodra zij daartoe in staat zijn, op straffe van verval van het recht zich in een later stadium, bij de homologatie, alsnog op de klacht te beroepen. Indien een schuldeiser bijvoorbeeld meent dat de aanbieder zijn vordering op onjuiste wijze heeft opgenomen, dient de schuldeiser dit zo spoedig mogelijk nadat hem dit duidelijk is geworden aan de aanbieder te berichten.
De aanbieder mag voorafgaande aan de stemming over ieder onderwerp dat voor het akkoord relevant is (en dat vóór de stemming is te beslechten) een bindende beslissing van de rechter-commissaris of rechtbank vragen. Dit zou de aanbieder bijvoorbeeld kunnen doen indien hij al dan niet naar aanleiding van discussies met schuldeisers twijfelt over de omvang of rang van de tot de stemming toe te laten vorderingen, de klassenindeling of de waardering. Een ander dan de aanbieder van het akkoord zou niet eerder dan bij de homologatie om een beslissing van de rechter moeten kunnen verzoeken.
De daartoe uitgenodigde partijen zouden vervolgens via een besloten online forum of anderszins in de gelegenheid worden gesteld om onderling over het akkoord te overleggen, informatie uit te wisselen en aan de schuldenaar vragen te stellen. Daarna zouden zij via een digitaal of fysiek stemformulier hun stem uitbrengen. Een formele (stem)vergadering zou daartoe niet zijn vereist. De stemuitslag dient controleerbaar te zijn. De schuldenaar doet er goed aan deze op te laten tekenen door een onafhankelijke partij, zoals een notaris of de rechter-commissaris.
Is het akkoord door alle klassen aangenomen, dan zou het binnen twee weken na bekendmaking van de stemuitslag van rechtswege verbindend worden, tenzij één of meer belanghebbenden aangeven een homologatiebehandeling te wensen. In dat geval zou op korte termijn alsnog een homologatiezitting plaatsvinden.
Is het akkoord door één of meer klassen verworpen, dan moet de aanbieder van het akkoord om een homologatiebehandeling verzoeken, wil hij het akkoord alsnog verbindend laten worden. De homologatiebehandeling zou bij een verworpen akkoord een waarderingsprocedure kunnen omvatten, wat de homologatieprocedure aanzienlijk ingewikkelder en uitgebreider zou maken dan bij een aangenomen akkoord.
Indien de schuldenaar bij de vaststelling van de stemuitslag uit is gegaan van een onjuiste omvang of rang van een vordering of een vordering in een verkeerde klasse heeft plaatst, zou de rechter in het kader van de homologatie kunnen weigeren het akkoord als “aangenomen” te behandelen en daarmee kunnen weigeren het akkoord slechts op procedurele aspecten te toetsen. Ondanks het gebrek zou de rechter het akkoord niettemin als aangenomen kunnen beschouwen indien afwezigheid van het gebrek niet tot een andere stemuitslag zou hebben geleid. Indien het akkoord wijziging in de rechten van partijen brengt of de belangen van partijen raakt die om welke reden dan ook niet door deugdelijk tot stand gekomen democratische meerderheidsbesluitvorming worden gebonden (bijvoorbeeld omdat zij buiten de stemming zijn gehouden of de klassenindeling onjuist is of hun vordering op onjuiste wijze is geteld en een juiste indeling of telling tot een verwerping zou hebben geleid), zou de rechter het akkoord nog steeds kunnen homologeren, maar dan slechts indien het akkoord ten aanzien van die (niet door democratische besluitvorming gebonden) partijen aan de criteria voor cram down voldoet. De homologatiebeslissing zou niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Het akkoord zou slechts verbindend zijn voor die partijen die bij het akkoord waren betrokken of daarvan op de hoogte waren en in de gelegenheid verkeerden daar tijdig tegen op te komen.
In het eenvoudigste geval zou de schuldenaar een akkoord binnen enkele weken definitief tot stand kunnen brengen zonder een formele stemvergadering en zonder enige rechterlijke betrokkenheid.
Indien het niet de schuldenaar maar een schuldeiser zou zijn die het akkoord zou aanbieden, zou de procedure er in hoofdzaak hetzelfde uitzien, zij het dat de aanbieder voorafgaand verlof van de rechter nodig zou hebben om een akkoord te mogen aanbieden en om daartoe informatie en medewerking van de schuldenaar te kunnen verlangen. Deze verlofprocedure zou in vertrouwelijkheid plaatsvinden, op vergelijkbare wijze als een aanvraag tot faillietverklaring onder huidig recht. Alleen de schuldenaar zou daarvoor worden opgeroepen. Andere belanghebbenden zouden in deze fase geen gelegenheid hebben om hun standpunt over de financiële toestand van de schuldenaar naar voren te brengen. Indien de rechter op basis van de uitgewisselde informatie en standpunten onvoldoende zicht op de financiële toestand van de schuldenaar zou kunnen krijgen, zou hij een deskundige moeten kunnen benoemen die in stilte en onder geheimhouding naar de financiële toestand van de onderneming onderzoek doet en aan de rechtbank verslag uitbrengt. In het kader van de homologatie zouden ook anderen dan de schuldenaar de gelegenheid krijgen om de financiële toestand van (pre-)insolventie te betwisten.