Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/6.8.5.1
6.8.5.1 De beoordeling van de geschiktheid en de betrouwbaarheid
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS602229:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 29-35a Bupw. De eisen aan betrouwbaarheid zijn voor financiële ondernemingen nader uitgewerkt in art. 5-9 Bpr en art. 12-16 Bgfo.
Art. 1.2, lid 2, sub c, d, e en g, Beleidsregel geschiktheid. Vermogensbeheer wordt niet als zodanig genoemd, maar valt te begrijpen onder het geschiktheidsterrein “financieel technische en actuariële aspecten, waaronder financiering, beleggingen, actuariële principes en herverzekering”.
Zie de Toelichting op het Bgfo in Stb 2006, 520, p. 168.
Stijnen 2013, p. 353; Palm-Steyerberg, 2010, p. 60.
Art. 1.4 Beleidsregel geschiktheid. Zie ook Kamerstukken II, 2010-2011, 32786, nr. 3, p. 2.
Zie ook art. 31 Bupw: “op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten”.
De eisen aan de geschiktheid en de betrouwbaarheid van beleidsbepalers zijn nader uitgewerkt in het Bupw.1 De eisen aan de geschiktheid zijn nog verder uitgewerkt in de Beleidsregel geschiktheid.
Geschiktheid omvat kennis en ervaring ten aanzien van onder meer een beheerste en integere bedrijfsvoering, uitbesteding en vermogensbeheer.2 Betrouwbaarheid is minder goed uitgewerkt, maar de beoordeling ervan richt zich op de bepaling of het gedrag van de betrokkene in overeenstemming is met een integere invulling en uitoefening van de functie van de beleidsbepaler.3 Het onderscheid tussen geschiktheid en betrouwbaarheid is niet altijd even scherp. Opzettelijke of roekeloze overtredingen wijzen in de richting van een betrouwbaarheidsgebrek. Overtredingen die zonder opzet of roekeloosheid zijn gepleegd, wijzen eerder op een gebrek aan deskundigheid en daarmee op een geschiktheidsprobleem.4
De individuele kennis en vaardigheden van de getoetste persoon worden beoordeeld in samenhang met de kennis en vaardigheden van de andere leden van het (mede)beleidsbepalende orgaan.5 De beoordeling ziet dus niet op een individu. Heeft niettemin het collectief onvoldoende deskundigheid ten aanzien van een bepaald onderwerp, dan wordt toch het individu ongeschikt geacht.
Iemands betrouwbaarheid hangt niet samen met de betrouwbaarheid van de andere leden van het orgaan. Het oordeel dat de betrouwbaarheid van een beleidsbepaler niet buiten twijfel staat, wordt daarom uitsluitend gebaseerd op de individuele gedragingen van de getoetste persoon.6