Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/4.1:4.1 Inleiding
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS569908:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het pleitbaar standpunt verweer wordt door de belastingkamer van de Hoge Raad opgevat als een verweer dat is gericht tegen het bewijs van het opzet. De strafkamer van de Hoge Raad lijkt het pleitbaar standpunt verweer ook zo te beschouwen. Over de invloed van het pleitbare standpunt op het bewijs van het opzet lijkt de belastingkamer echter anders te denken dan de strafkamer.
In dit hoofdstuk wordt in het kader van de beantwoording van de tweede vraag, de vraag wanneer een pleitbaar standpunt tot het ontbreken van opzet leidt, de pleitbaar standpunt jurisprudentie in het fiscale boete- en strafrecht geïnterpreteerd. Dat wordt gedaan door te onderzoeken welke rol de criteria die normaal voor de vaststelling van opzet gelden in de fiscale boete- en strafjurisprudentie spelen zodra aan een onjuiste aangifte een naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt ten grondslag ligt. Door zowel de fiscale boete- als de fiscale strafjurisprudentie op deze wijze te interpreteren kan duidelijk worden gemaakt waardoor het verschil in de pleitbaar standpunt jurisprudentie is veroorzaakt.
In paragraaf 4.2 van dit hoofdstuk wordt begonnen met de interpretatie van de fiscale boetejurisprudentie over het pleitbare standpunt. In deze paragraaf zal ik laten zien dat de belastingkamer van de Hoge Raad tot nu toe steeds heeft geoordeeld dat, zodra kan worden gesproken van een pleitbaar standpunt, opzet ontbreekt, zonder aandacht te besteden aan de subjectieve omstandigheden die normaal voor de vaststelling van opzet van belang zijn. Hierna wordt in dit verband ook gesproken van de objectieve werking van het pleitbare standpunt. In vervolg hierop wordt in paragraaf 4.3 onderzocht waarom de belastingkamer van de Hoge Raad tot nu toe bij een pleitbaar standpunt steeds van objectieve werking is uitgegaan en of deze objectieve werking van het pleitbare standpunt met de – in hoofdstuk 3 uitgewerkte – invulling van het opzetbegrip is te verenigen.
In paragraaf 4.4 wordt de fiscale strafjurisprudentie over het pleitbare standpunt geïnterpreteerd. Hieruit zal naar voren komen dat de strafkamer van de Hoge Raad in de tot nu toe door haar beoordeelde zaken bij een pleitbaar standpunt verweer steeds de criteria die voor de vaststelling van opzet bepalend zijn, heeft toegepast, zonder een rol voor het pleitbare standpunt te zien. In vervolg hierop wordt nader bezien of de jurisprudentie van de strafkamer van de Hoge Raad wel ruimte biedt voor een rol van het pleitbare standpunt in het fiscale strafrecht. Tot slot wordt aandacht besteed aan de pleitbaar standpunt jurisprudentie van de strafrechter in feitelijke instantie.
De invloed van het pleitbare standpunt blijft in het belastingrecht, zoals al eerder is opgemerkt, niet beperkt tot de opzetdelicten. In de paragrafen 4.2 en 4.3 wordt daarom ook de jurisprudentie behandeld waarin is geoordeeld dat het pleitbare standpunt tot het ontbreken van grove schuld leidt en wordt bezien of de objectieve werking van het pleitbare standpunt met de – in hoofdstuk 3 uitgewerkte – invulling van het grove schuldbegrip is te verenigen.
Voorts heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in een aantal arresten geoordeeld dat een pleitbaar standpunt bij een verzuimboete tot afwezigheid van alle schuld leidt. Uit paragraaf 4.5 zal naar voren komen dat de belastingkamer in deze jurisprudentie geen aandacht heeft besteed aan de feitelijke omstandigheden die normaal voor een beroep op afwezigheid van alle schuld van belang zijn. Ook bij verzuimboetes lijkt de belastingkamer van de Hoge Raad derhalve van objectieve werking van het pleitbare standpunt uit te gaan. In vervolg hierop wordt in deze paragraaf beoordeeld of de objectieve werking van het pleitbare standpunt met de invulling van afwezigheid van alle schuld is te verenigen.
In paragraaf 4.6 wordt tot slot de invloed van het pleitbare standpunt besproken op kwade trouw en op de voor omkering van de bewijslast benodigde schuld bij het nalaten om de vereiste aangifte te doen. Hierbij wordt op dezelfde wijze als bij de opzetdelicten beoordeeld of de criteria die normaal gelden voor de vaststelling van kwade trouw en voor de voor omkering van de bewijslast benodigde schuld, ook worden toegepast zodra er sprake is van een pleitbaar standpunt en of een eventuele objectieve werking van het pleitbare standpunt met de – in hoofdstuk 3 beschreven – invulling van deze begrippen is te verenigen.
Ik beëindig dit hoofdstuk in paragraaf 4.7 met een afsluiting.