Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.2.3.1
III.5.2.3.1 Het onderdeel intrinsieke eer
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS459211:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 3 mei 2012, appl. no. 23880/05 (Salikhov vs. Rusland) en EHRM 18 oktober 2012, appl. no. 37679/08 (Bures vs. Tsjechische Republiek) en EHRM 25 juli 2013, appl. no. 32133/11 (Kummer vs. Tsjechische Republiek).
EHRM 23 juli 2013, appl. no. 6343/11 (Gorea vs. Republiek Moldavië).
EHRM 3 oktober 2013 appl. no. 47137/07 (Tahirova vs. Azerbaidjan).
Zie bijvoorbeeld EHRM 31 maart 2009, appl. no. 14612/02, r.o. 53 (Wiktorko vs. Polen). Zie ook EHRM 15 november 2001, appl. no. 25196/04 (Iwanczuk vs. Polen) en EHRM 26 september 2006, appl. no. 12350/04 (Wainwright vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 17 april 2013, appl. no. 13621/08 (Horych vs. Polen). Zie ook BVerfG 4 februari 2009, 2 BvR 445/08, r.o. IV.1.a.
Zie bijvoorbeeld EHRM 24 juli 2001, appl. no. 44558/98, r.o. 114-118 (Valašinas vs. Litouwen) en EHRM 31 maart 2009, appl. no. 14612/02, r.o. 54 (Wiktorko vs. Polen).
Vgl. BVerfGE 20 oktober 1992, 87, 209, r.o. C.II.3 (Tanz der Teufel) en BVerfG 14 december 2004, 2 BvR 1249/04, r.o. 1 (Fall Gäfgen).
F.A. Hayek, The Constitution of Liberty, London: Routledge & Kegan Paul 1976, p. 134.
BVerfG 15 februari 2006, 1 BvR 357/05, r.o. C.II.2.b.aa (Luftsicherheitsgesetz).
Zie onder andere EHRM (GK) 6 april 2000, appl. no. 26772/95, r.o. 120 (Labita vs. Italië) en EHRM 3 december 2013, appl. no. 28127/09, r.o. 30 (Ghorbanov en anderen vs. Turkije).
Zie onder andere EHRM (GK) 11 juli 2006, NJ 2007, 226, r.o. 13, m.nt. Sch (Jalloh vs. Duitsland) en EHRM 3 december 2013, appl. no. 28127/09, r.o. 30 (Ghorbanov en anderen vs. Turkije).
Zie bijvoorbeeld EHRM (GK) 17 juli 2014, appl. nos. 32541/08 & 43441/08, r.o. 138 (Svinarenko & Slyadnev vs. Rusland) en C. Dupré, ‘Human Dignity in Europe: A Foundational Constitutional Principle’, European Public Law, 2013, 2, p. 334.
EHRM (GK) 11 juli 2006, NJ 2007, 226, m.nt. Sch (Jalloh vs. Duitsland).
EHRM (GK) 1 juni 2010, NJ 2010, 628, m.nt. YB (Gäfgen vs. Duitsland).
EHRM 11 december 2003, appl. no. 39084/97, r.o. 112-113 (Yankov vs. Bulgarije).
EHRM 31 maart 2009, appl. no. 14612/02, r.o. 47 (Wiktorko vs. Polen).
EHRM 24 juli 2001, appl. no. 44558/98, r.o. 114-118 (Valašinas vs. Litouwen).
M.J. Borgers, ‘De toekomst van artikel 359a Sv’, DD 2012, 4, p. 259-260.
Zie bijvoorbeeld EHRM 25 juli 2013, appl. no. 32133/11, r.o. 69 (Kummer vs. Tsjechische Republiek).
Intrinsieke eer als onderdeel van de menselijke waardigheid beschermt de burger ten eerste tegen ongeoorloofde dwang door overheidsfunctionarissen die de mens vernedert en verplicht staten ten tweede om klachten over het gebruik van ongeoorloofde dwang te onderzoeken. In de meerderheid van de arresten waarin het concept menselijke waardigheid wordt gebruikt, staat toegebracht fysiek en/of psychisch letsel centraal. Het toebrengen van letsel tast de menselijke waardigheid aan. Het gaat dan om de intrinsieke eer van de burger die op een ongeoorloofde wijze door de staat wordt geschonden. Ook de onderzoeksplicht is een belangrijke component omdat zonder deze verplichting inbreuken op de veiligheid van burgers zonder consequenties blijven. Overigens is de onderzoeksverplichting voor een toetsingskader voor de toepassing van opsporingsmethoden op de verdachte in beginsel niet van belang. Onderzoeksplichten spelen pas een rol als de toepassing van een dwangmiddel op een ongeoorloofde manier heeft plaatsgevonden. Omdat in dit onderzoek de vraag centraal staat of opsporingsmethoden op een geoorloofde manier kunnen worden afgenomen, blijven de onderzoeksverplichtingen verder buiten beschouwing.
In de rechtspraak van het HRC en het EHRM ligt de nadruk bij het gebruik van het concept menselijke waardigheid op het onderdeel intrinsieke eer. Overigens komt de menselijke waardigheid in de rechtspraak van het BVerfG ook naar voren bij het onderdeel veiligheid, maar wordt het daarnaast vaak gebruikt bij de andere onderdelen. In de rechtspraak van het EHRM komt dit duidelijk naar voren bij onnodig geweld tegen personen die zich in een zwakke en/of afhankelijke positie bevinden. Bijvoorbeeld bij vrijheidsberoving,1 tijdens een arrestatie2 en ‘[w]hen a person is confronted bypolice or other agents of the State’.3 Met andere woorden, onnodig geweld tegen personen die zich in de macht van overheidsfunctionarissen bevinden, tast de menselijke waardigheid aan. Maar ook bij het gebruik van het concept menselijke waardigheid bij bijvoorbeeld strip searches4 ligt de nadruk op het onderdeel veiligheid. Zo overwoog het EHRM dat respect voor de verdachte duidelijk ontbreekt als hij wordt uitgekleed voor een fouillering door een functionaris van het andere geslacht en dat deze behandeling zijn menselijke waardigheid verlaagt.5 In deze zaak maakt het Hof ook expliciet waarom dit een aantasting van de menselijke waardigheid oplevert. Doordat de klager met enig geweld werd uitgekleed, mede door een persoon van het andere geslacht, moet hij gevoelens van angst en inferioriteit hebben gevoeld waardoor hij zich waarschijnlijk vernederd voelt. Het is deze lijn van argumenteren die van belang is bij de toepassing van opsporingsmethoden in overeenstemming met de intrinsieke eer van de verdachte. Bij veel opsporingsmethoden, zoals bij (neuro)geheugendetectie, bevindt de verdachte zich in de macht van de overheid en daardoor in een zwakke en afhankelijke positie. Elk onnodig geweld en elke handeling die de gevoelens van onder andere angst en inferioriteit oproepen, tasten de intrinsieke eer van de verdachte aan. Ik vat deze mensonwaardige handelingen in het vervolg van deze paragraaf samen onder de term ‘ongeoorloofde dwang’.
Mijns inziens levert ongeoorloofde dwang om twee redenen een aantasting van de menselijke waardigheid op. Ten eerste reduceert de dwang de burger tot een object6 en ten tweede beperkt de dwang de mogelijkheid om een autonome keuze te maken.7 Het BVerfG stelt dat een mens nooit enkel als object mag worden gebruikt, maar dat ook altijd aandacht moet zijn voor de persoon en zijn capaciteiten (voornamelijk zijn zelfbeschikking, autonomie).8 Ongeoorloofde dwang, ongeacht met welke reden, degradeert de mens tot een object. Hij wordt bijvoorbeeld enkel als stootkussen gebruikt bij fysiek geweld of enkel als informatiebron door bijvoorbeeld psychische druk of misleiding tijdens het verhoor toe te passen. Het lichaam en het geheugen zijn dan de objecten waarop het gedrag van de overheidsfunctionarissen is gericht. De dwang op zichzelf is mensonwaardig omdat het de verdachte vernedert, maar vormt niet het enige probleem. De gedragskeuze van de mens wordt namelijk beïnvloed door dwang.
Voordat ik verder ga met het onderdeel autonomie, eerst een vaststelling van de ondergrens van ongeoorloofd handelen wat betreft de intrinsieke eer van burgers. De ondergrens voor een schending van het folterverbod wordt gevormd door inhumane of vernederende behandelingen. Volgens het EHRM is sprake van inhumane behandeling als de behandeling is gepland, uren duurt en lichamelijk letsel of intens fysiek of mentaal lijden tot gevolg heeft.9 Een behandeling is vernederend als daardoor gevoelens van angst en inferioriteit worden opgewekt en de persoon door die behandeling mogelijk in strijd met zijn wil gaat handelen.10 In deze standaardformuleringen wordt ten eerste duidelijk wat ten minste een aantasting van de menselijke waardigheid is en ten tweede ook waarom dat een schending oplevert. Op dit gebied vertoont de rechtspraak van het EHRM grote overeenkomsten met het HRC en het BVerfG. Omdat veel zaken waarin de menselijke waardigheid wordt gebruikt over schendingen van artikelen 3 EVRM en 7 IVBPR gaan, lijkt vernederen de ondergrens van mensonwaardige handelingen te zijn.11 In de tekst van het folterverbod, tenminste bij artikel 3 EVRM, vormt de vernederende behandeling de lichtste gradatie en voornamelijk de intensiteit van het leed en de doelbewustheid van het gedrag bepalen de gradatie.12 Vernedering vindt plaats als door de behandeling gevoelens van angst en inferioriteit worden opgewekt. Dit is als zodanig al in strijd met de menselijke waardigheid, maar omdat die behandeling vaak de wil van de persoon negatief beïnvloedt, raakt dit ook de autonomie van de persoon.
Het onderdeel intrinsieke eer van de menselijke waardigheid als juridisch concept is voor de strafvordering voornamelijk van belang bij het toepassen van geweld en andere, lichtere vormen van dwang. Geweld is een duidelijke aantasting van de lichamelijke veiligheid. Als het geweld niet strikt noodzakelijk is en/of doelbewust wordt gebruikt, maakt dit dat de intrinsieke eer van de mens niet wordt gerespecteerd. Ongeoorloofde dwang reduceert de verdachte tot een object. Zijn wil doet niet ter zake, enkel dat zijn geheugen of zijn lichaam informatie verschaft. Bij bepaalde handelingen, zoals het met grof geweld toedienen van een braakmiddel zonder voldoende medische waarborgen13 is de menselijke maat volledig uit beeld verdwenen. Overigens is niet alleen fysiek geweld mensonwaardig. Ook psychisch geweld kan gevoelens van angst en inferioriteit oproepen. Het louter dreigen met foltering om de verblijfplaats van een ontvoerde jongen te achterhalen14 is geen fysiek geweld, maar kan natuurlijk wel gevoelens van onmacht, angst en inferioriteit oproepen waardoor de verdachte zich niet als subject maar object voelt behandeld. Overigens is niet noodzakelijk dat door de ongeoorloofde dwang bewijs wordt verzameld om een schending van de menselijke waardigheid op te leveren. Het scheren van het hoofdhaar als disciplinaire straf,15 waarmee hetzelfde (maar tijdelijke) effect wordt bereikt als een brandmerk, en het uitkleden door een agent van het andere geslacht (zelfs zonder onderzoeksdoel, maar alleen om inrichtingskleding aan te doen16) zijn vernederend17.
In de Nederlandse strafvordering komt het verbod op ongeoorloofde dwang terug in het pressieverbod, de regulering van de inzet van opsporingsmethoden en de mogelijke sanctionering van onrechtmatigheden in de opsporing. Zowel het verhoor als andere opsporingsmethoden kunnen niet op elke, door de autoriteiten gewenste wijze en momenten worden ingezet. Het pressieverbod bepaalt bijvoorbeeld hoe de communicatie tijdens het verhoor niet tot stand mag komen. De verdachte moet in vrijheid zijn verklaring afleggen (artikel 29 lid 1 Sv). Hierin is duidelijk opgenomen dat de intrinsieke eer, bijvoorbeeld door psychische dwang, niet mag worden aangetast zodat de verdachte onafhankelijk kan kiezen om een verklaring af te leggen. Verder berust het inzetten van strafvorderlijke middelen op de wet (artikel 1 Sv). De wetgever bepaalt in algemene zin welke middelen geoorloofd zijn. Zo zijn leugendetectie, narcoanalyse en verhoor onder hypnose (nog) niet opgenomen in een wettelijke regeling en is foltering uitdrukkelijk verboden. Van de geaccepteerde opsporingsmethoden heeft de wetgever bepaald wanneer en soms op welke wijze het middel mag worden ingezet. Bepaalde methoden, die een vergaande inbreuk op het recht op respect voor privacy en de lichamelijke integriteit maken, mogen alleen bij zware misdrijven en ernstige bezwaren worden ingezet. Denk bijvoorbeeld aan het onderzoek in het lichaam (artikel 56 lid 2 Sv), het DNA-onderzoek (artikel 195 Sv) en het opnemen van vertrouwelijke communicatie (artikel 126l Sv). Houden de autoriteiten zich niet aan de gestelde voorwaarden, dan kan de rechter het onrechtmatige overheidsoptreden sanctioneren (artikel 359a Sv). In beginsel heeft de wetgever dus een systeem van strafvorderlijke middelen ontwikkeld die op een geoorloofde wijze kunnen worden afgenomen en waarmee onrechtmatige opsporing kan worden gesanctioneerd. Zeker vanuit een constitutioneel perspectief (rule of law) en een beschermingsperspectief18 is het wenselijk onrechtmatig optreden te sanctioneren. Hiermee wordt ten eerste beoogd dat de overheid ook de wet moet volgen, waardoor willekeur en machtsmisbruik worden beperkt. Ten tweede doet dit recht aan de persoonlijke veiligheid, als onderdeel van de menselijke waardigheid, van de verdachte.
Wat betreft de beoordeling van de mogelijkheid om de GKT rechtmatig af te nemen, moet op grond van het onderhavige onderdeel worden beoordeeld of de afname van een (neuro)geheugendetectietest de intrinsieke eer schendt. Het gaat daarbij om de bescherming tegen vernederende behandelingen. Vernederende behandelingen zijn onder andere gedragingen die gevoelens van angst of inferioriteit oproepen.19 Aangaande de (neuro)geheugendetectie moet worden beoordeeld of de afname van de test de verdachte vernedert onder andere door bij hem gevoelens van angst en/of inferioriteit op te roepen of dat hem fysiek letsel door de afname wordt toegebracht. Dit betekent mijns inziens dat met betrekking tot de drie kenmerken van (neuro)geheugendetectie de vraag moet worden gesteld of (1) de lichamelijke fixatie de intrinsieke eer aantast; (2) het verkrijgen van hersenactiviteit als biologisch spoor de intrinsieke eer aantast en; (3) het verkrijgen van een herkenning van daderkennis (een cognitief spoor) de intrinsieke eer aantast. Deze vragen worden in de laatste paragraaf van dit hoofdstuk, in samenhang met de vraag of de toepassing van (neuro)geheugendetectie een mensonwaardige behandeling van de verdachte is op grond van de onderdelen autonomie en gelijkheid, beantwoord.