Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht
Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/6.4:6.4 Conclusie
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/6.4
6.4 Conclusie
Documentgegevens:
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS453241:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dat wil zeggen, verticale splitsing van een onroerende zaak, fysieke splitsing van een roerende zaak of partiële cessie van een vordering.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
180. Bij splitsing1 van objecten van beperkte rechten, valt het beperkte recht in evenzovele rechten als objecten uiteen (paragraaf 6.2). Dit is in lijn met het uniciteitsbeginsel. Bovendien is deze uitkomst in lijn met het Duitse recht, dat op dit punt al verder is doorontwikkeld dan het Nederlandse recht. De constatering dat de splitsing van een object van een beperkt recht voldoet aan het uniciteitsbeginsel, bevestigt de in paragraaf 5.6 getrokken conclusie dat het uniciteitsbeginsel in het Nederlandse recht geldt voor beperkte rechten.
In paragraaf 6.3 besprak ik met het erfpachtrecht voor het eerst een geval waarin het daadwerkelijk uitmaakt of het recht gezien wordt als één recht of als evenzovele rechten als objecten. Bij de onderneming (hoofdstuk 4) bleek dat het bestaan van één recht op de onderneming zoals in het Franse recht praktisch niet erg anders uitwerkt dan het Nederlandse recht en bij het vruchtgebruik (hoofdstuk 3) en bij hypotheek (hoofdstuk 5) waren vooral regels van verhaalsaansprakelijkheid van belang. Of in die gevallen geconcludeerd wordt tot het bestaan van één recht op meerdere objecten of tot evenzoveel rechten als objecten, is praktisch niet zo relevant.
Bij het recht van erfpacht is gebleken dat dit wel relevant is, vanwege de mogelijkheid die art. 5:91 lid 2 BW biedt om de bevoegdheid van de erfpachter tot verticale splitsing van het erfpachtrecht met goederenrechtelijke werking uit te sluiten. Het risico bestaat dat door een strikte toepassing van het uniciteitsbeginsel (er bestaan twee objecten dus twee rechten) erfverpachters geconfronteerd worden met de mogelijkheid van verticale splitsing door de erfpachter, terwijl zij in de veronderstelling verkeerden dit met goederenrechtelijke werking te hebben uitgesloten (zij dachten één erfpachtrecht te hebben gecreëerd).
Dit risico zal zich echter niet gauw verwezenlijken, omdat door de vestiging van het erfpachtrecht doorgaans ook één onroerende zaak als object zal ontstaan. Daarnaast zou art. 5:91 lid 2 BW ruim geïnterpreteerd kunnen worden, zodat deze bepaling ook van toepassing is op de situatie waarin twee onroerende zaken met twee dezelfde erfpachtrechten zijn bezwaard.