Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht
Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/7.4:7.4 Conclusie
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/7.4
7.4 Conclusie
Documentgegevens:
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS452055:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
202. Uit dit hoofdstuk blijkt dat ook in het Nederlandse recht – waar uniciteit het uitgangspunt is – uitzonderingen op het uniciteitsbeginsel bestaan. Er is een vorm van ‘verkapte algemeenheid’ te signaleren bij samengestelde zaken; potentieel zelfstandige zaken worden door de verkeersopvatting bestempeld tot één zaak. Hierbij gaat het strikt genomen niet om een uitzondering op het uniciteitsbeginsel, omdat sprake is van één object met daarop één recht. Maar de samengestelde zaak laat wél zien dat in essentie niets eraan in de weg staat om één eigendomsrecht op meerdere zaken tezamen aan te nemen, had de wetgever dit mogelijk willen maken. Iets vergelijkbaars blijkt uit de regeling uit het Duitse recht, waarbij rechten bestanddeel van een onroerende zaak kunnen zijn.
Toch is bij deze gevallen van ‘verkapte algemeenheid’ niet werkelijk sprake van algemeenheid zoals bij de feitelijke algemeenheid in het Franse recht. Wordt een (voorheen zelfstandige) zaak van de ene eigenaar bestanddeel van een andere zaak van een andere eigenaar, dan verliest de eerste eigenaar zijn eigendom. Bij de algemeenheid is dit niet het geval, ook niet in het Franse recht, waar de algemeenheid rechtsobject is. Van bestanddelen acht de wet het niet zinvol dat daarop een afzonderlijk eigendomsrecht kan bestaan. Bij onderdelen van een algemeenheid zoals in het Franse recht is dat wel het geval; over de goederen in een feitelijke algemeenheid kan vrijelijk beschikt worden.
Over een gebouw en de grond waarop het staat kan niet afzonderlijk beschikt worden. Ingevolge art. 5:20 lid 1 onder e BW omvat de eigendom van de grond de gebouwen die duurzaam met de grond zijn verenigd. Dat het hierbij om één eigendomsrecht gaat, staat buiten kijf. Het is echter de vraag of hier sprake is van één of twee objecten. Afhankelijk van welk antwoord op die vraag men prefereert, doet zich hierbij een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voor. Nu over de gebouwen en de grond niet afzonderlijk beschikt kan worden en het vaststaat dat het eigendomsrecht daarop één is, maakt het niet veel uit of men hier al dan niet een uitzondering op het uniciteitsbeginsel aanneemt. Maar juist omdat over de grond en de gebouwen niet afzonderlijk beschikt kan worden, hebben zij geen zelfstandige betekenis. Het lijkt mij daarom het meest eenvoudig, duidelijk en consequent om ervan uit te gaan dat hier sprake is van één object. De in paragraaf 7.2.3 besproken discussie in de literatuur laat echter zien dat men daarover ook anders kan denken.
Bij de mede-eigendom van grensoverschrijdende werken, gebouwen en beplantingen ligt het voorgaande anders. Daar is sprake van een eigendomsrecht dat zowel de eigendom van de grond als de mede-eigendom van de opstal omvat. Het object is dan moeilijk te beschouwen als één, omdat het zowel eigendom als mede-eigendom betreft. In die situatie bestaat dus één recht op meer objecten tezamen. Nu echter de objecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en het eigendomsrecht, dat weer object van andere rechten kan zijn, één is, doen zich bij deze uitzondering op het uniciteitsbeginsel geen moeilijkheden voor.
Uit paragraaf 7.3 blijkt dat zowel in het Nederlandse, Duitse als Franse recht een categorie zaken bestaat die onder het oud BW aangeduid werd met hulpzaken en in het nieuwe BW op enkele plaatsen terugkeert als toebehoren. In alle drie de rechtsstelsels doen zich daarbij uitzonderingen op het uniciteitsbeginsel voor. Wanneer over de hoofdzaak wordt beschikt, treft de beschikking van rechtswege ook het toebehoren. Anderzijds behoudt het toebehoren zijn zelfstandigheid, doordat het afzonderlijk overgedragen kan worden en op die manier zijn hoedanigheid van toebehoren verliest. Om deze reden zou erover getwijfeld kunnen worden of daadwerkelijk sprake is van een uitzondering op het uniciteitsbeginsel. In ieder geval is sprake van een uitzondering op de, zoals de Duitse rechtsgeleerden het noemen, Spezialität der Verfügungen, de uniciteit bij beschikkingen. Zolang het toebehoren echter toebehoren is, is het niet vatbaar voor afzonderlijk beslag of pand, het valt onder het hypotheekrecht van de hoofdzaak. Om die reden meen ik dat in die situatie toch gesproken kan worden van een uitzondering op het uniciteitsbeginsel.
Ook deze uitzondering levert in de stelsels die het uniciteitsbeginsel volgen (het Nederlandse en het Duitse recht) geen probleem op. In het Nederlandse recht is het schip het object, wordt het toebehoren daaronder geschaard, zodat we te maken hebben met één eigendomsrecht, dat vervolgens object kan zijn van hypotheek. Bij het toebehoren van registergoederen in de appartementensplitsing is uiteindelijk het appartementsrecht het object en levert de uitzondering op het uniciteitsbeginsel ook daar geen problemen op (zie nader hierover paragraaf 8.2.1). In het Nederlandse recht is vooral het eigendomsrecht van het schip dat het toebehoren omvat en in het Duitse recht de hypotheek die het toebehoren omvat vanuit systematisch oogpunt afwijkend: daarbij is daadwerkelijk sprake van één recht op twee (of meer) objecten. Desalniettemin veroorzaakt ook dat geen problemen en wordt dit in beide rechtsstelsels door de wet prima ingepast in het systeem.