Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.5.2.2.1
III.5.2.2.1 In de rechtspraak van het Human Rights Committee
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS451978:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HRC 3 april 1992, general comment 21 [44] bij artikel 10 IVPBR.
Zie onder andere HRC 14 juli 2003, comm. no. 796/1998 (Reece vs. Jamaica) en HRC 7 augustus 2003, comm. no. 1020/2001 (Cabal & Pasini vs. Australië) en HRC 30 oktober 2003, comm. no. 868/1999 (Wilson vs. de Filippijnen) en HRC 24 oktober 2007, comm. no. 1422/2005 (Hassy vs. Libië) en HRC 17 maart 2009, comm. no. 1406/2005 (Weerawansa vs. Sri Lanka) en HRC 29 juli 2009, comm. no. 938/2000 (Girjadat Siewpersaud en anderen v. Trinidad and Tobago) en HRC 10 maart 2010, comm. no. 1520/2006 (Mwamba vs. Zambia) en HRC 20 oktober 2010, comm. no. 1776/2008 (Bashasha vs. Libië) en HRC 25 oktober 2010, comm. no. 1751/2008 (Aboussedra vs. Libië) en HRC 27 oktober 2010, comm. no. 1530/2006 (Bozbey vs. Turkmenistan) en HRC 22 maart 2011, comm. no. 1813/2008 (Akwanga vs. Kameroen).
HRC 31 maart 2005, comm. no. 1189/2003 (Fernando vs. Sri Lanka).
HRC 19 oktober 2010, comm. no. 1449/2006 (Umarova vs. Oezbekistan).
HRC 24 juli 2008, comm. no. 1486/2006, r.o. 4.16 (Kalamiotis vs. Griekenland).
Zie bijvoorbeeld HRC 1 november 2012, comm. no. 1804/2008, r.o. 7.8 (Abdussalam Il Khwildy vs. Libië). ‘The Committee has taken note of the author’s allegation that Abdussalam Il Khwildy was subjected to acts of torture during his detention. The Committee reiterates that persons deprived of their liberty may not be subjected to any hardship or constraint other than that resulting from the deprivation of liberty and that they must be treated with humanity and respect for their dignity. In the absence of information from the State party concerning the treatment of Abdussalam Il Khwildy in detention, the Committee concludes that the rights of Abdussalam Il Khwildy under articles 7 and 10, paragraph 1, were violated.’
HRC 25 oktober 2012, comm. no. 1779/2008, r.o. 8.5 (Mezine vs. Algerije). Zie bijvoorbeeld ook HRC 28 oktober 2008, comm. no. 1469/2006 (Sharma vs. Nepal).
Zie bijvoorbeeld HRC 24 oktober 2007, comm. no. 1422/2005, r.o. 6.11 (Hassy vs. Libië) en HRC 19 juli 2013, comm. no. 1865/2009, r.o. 8.4 (Sedhai vs. Nepal).
Zie bijvoorbeeld HRC 24 juli 1984, comm. no. 124/1982, r.o. 12 (Muteba vs. Zaïre) en HRC 25 oktober 2012, comm. no. 1779/2008, r.o. 8.5 (Mezine vs. Algerije) en HRC 19 juli 2013, comm. no. 1865/2009, r.o. 8.3 (Sedhai vs. Nepal).
HRC 25 oktober 2010, comm. no. 1818/2008 (McCallum vs. Zuid-Afrika).
HRC 22 maart 2011, comm. no. 1813/2008 (Akwanga vs. Kameroen).
HRC 22 maart 2011, comm. no. 1813/2008, r.o. 7.3 (Akwanga vs. Kameroen).
HRC 20 oktober 2010, comm. no. 1776/2008 (Bashasha vs. Libië). Zie ook HRC 25 oktober 2010, comm. no. 1751/2008 (Aboussedra vs. Libië).
HRC 20 oktober 2010, comm. no. 1776/2008, r.o. 7.7 (Bashasha vs. Libië).
HRC 27 oktober 2010, comm. no. 1530/2006 (Bozbey vs. Turkmenistan).
HRC 27 oktober 2010, comm. no. 1530/2006, r.o. 5.3 (Bozbey vs. Turkmenistan). De stellingen van de klager werden niet weersproken (zie r.o. 7.3).
Het HRC gebruikt in twee general comments de term ‘waardigheid’. Het gaat om de uitwerking van artikelen 71 en 102 IVBPR. Artikel 7 IVBPR bevat het folterverbod. In de aanbeveling bij dit artikel zet het comité uiteen dat het doel van de bepaling het beschermen van de menselijke waardigheid en fysieke en geestelijke integriteit zijn. Noch het verdrag, noch de aanbeveling definiëren de begrippen nader. Of een behandeling verboden is onder artikel 7 IVBPR hangt af van ‘the nature, purpose and severity of the treatment’. Onder andere lijfstraffen, langdurige isolatie tijdens gevangenschap en deelname aan medische en wetenschappelijke experimenten zonder toestemming zijn verboden. Artikel 10 IVBPR bepaalt dat gedetineerden menswaardig moeten worden behandeld. In algemene zin mogen gevangenen niet worden blootgesteld aan enige vorm van ‘hardship or constraint’ anders dan hetgeen voortvloeit uit de vrijheidsbeneming. In de aanbeveling geeft het comité aan dat daaronder ten minste valt dat jeugdigen en volwassenen én veroordeelden en verdachten gescheiden gevangen moeten worden gehouden en dat geen onderscheid in de behandeling van de persoon mag worden gemaakt op basis van onder andere geslacht, religie en ras.
Bij de beoordeling van individuele klachten gebruikt het HRC de term waardigheid voornamelijk (en in lijn met de general comments) bij artikelen 7 en 10 IVBPR, waarbij de notie zelden wordt gebruikt wanneer alleen artikel 7 IVBPR in het geding is. In de meeste gevallen volgt het gebruik van het concept derhalve de verdragsrechtelijke grondslag van artikel 10 IVBPR. Bij de meeste klachten wordt dan zowel over schending van het folterverbod als over de mensonwaardige behandeling tijdens detentie geklaagd.3 Daarnaast komt de term waardigheid voor bij de beoordeling van het gedrag van de verdachte tijdens het bijwonen van de rechtszaak.4 Als laatste wordt waardigheid gebruikt als onderdeel van de status van een persoon die kan worden aangetast door laster.5 Aan deze laatste twee wordt verder geen aandacht bestaat omdat zij (1) de waardigheid van het juridisch geding en; (2) de sociale eer betreffen.
In de zaak Kalamiotis stelt het comité dat
‘in this case there has been no such violation [of article 7], since the author’s mistreatment, if any, did not rise to the minimum level of severity for establishing an offence to human dignity’.6
Met andere woorden, pas wanneer de gedraging van de overheidsfunctionaris de mate van ernst overschrijdt die een inbreuk op de menselijke waardigheid maakt, is een schending van het folterverbod mogelijk. Doordat het folterverbod wordt geschonden wanneer iemand mensonwaardig wordt behandeld, is ook duidelijk waarom schendingen van artikel 7 en 10 IVBPR vaak samen gaan. Artikel 10 IVBPR waarborgt de menswaardige behandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd, terwijl artikel 7 IVBPR als ondergrens bescherming biedt tegen mensonwaardige behandelingen. Een schending van artikel 10 IVBPR is ipso facto ook een schending van artikel 7 IVBPR.7 Hieronder wordt een aantal voorbeelden gegeven van schendingen van de menselijke waardigheid.
In de zaak Mezine wordt geoordeeld dat een incommunicado detention een schending van het folterverbod oplevert.8 Doordat onbekend is waar (en vaak op grond waarvan) een persoon wordt vastgehouden, leeft de familie in angst wat betreft het lot van de gevangene. Ook de gedetineerde zelf leeft in angst. Een aanklacht wordt niet geformuleerd, contact met de buitenwereld is onmogelijk en vaak eindigt de incommunicado detention met de dood van de gedetineerde veroorzaakt door overheidsfunctionarissen. Dit levert zowel ten opzichte van familieleden9 als ten opzichte van de vermiste, gevangen gehouden persoon10 een schending van artikel 7 IVBPR op.
Het HRC oordeelt in de zaak McCallum dat de volgende handelingen verricht door bewakers tegen gedetineerden niet in overeenstemming zijn met het ‘respect for the inherent dignity’.11 McCallum werd mishandeld door verschillende personen, moest zich uitkleden en op een natte vloer gaan liggen, werd gepenetreerd met een wapenstok, kreeg urine, feces en bloed van andere gedetineerden over zich heen en werd pas maanden later medisch verzorgd en op besmetting met het Hiv-virus getest. In de zaak Akwanga werden de detentieomstandigheden van verschillende Kameroense inrichtingen langs de lat van de menselijke waardigheid gelegd.12 De klager liep onder andere verschillende ziektes op, waaronder dysenterie, en werd daarvoor pas maanden later en toen nog steeds inadequaat behandeld. Ook werd hij door bewakers en medegedetineerden mishandeld en werd hij met 50 mannen in een cel met 15 slaapplekken opgesloten terwijl zijn benen aan elkaar zaten vastgebonden. ‘The author's conditions of detention, as described, violate his right to be treated with humanity and with respect for the inherent dignity of the human person.’13
Ook in de Libische Abu Salim-gevangenis zijn de detentieomstandigheden mensonwaardig.14 Ondervoeding, het ontbreken van medische bijstand en het gebruik van geweld leidde tot de dood van veel politieke gevangenen.15 De detentieomstandigheden in Turkmenistan zijn niet veel beter.16
‘The author submits that following the announcement of the court verdict on 21 April 2004, he had immediately been taken to a dirty dungeon, which had no windows and where there was no “possibility to receive air and light”. The dungeon had no toilet and there were 35 people in it in 25 square meters. The author claims that he had been stripped naked and left without food and water for three days.’ 17
Kortom, op drie verschillende wijze gebruikt het HRC de term ‘waardigheid’, waarvan er slechts één relevant is voor de toepassing van dwangmiddelen op de verdachte. De notie wordt veelvuldig gebruikt bij klachten over en schendingen van artikel 10 IVBPR in combinatie met artikel 7 IVBPR. Het eerstgenoemde artikel bepaalt, kort gezegd, dat gedetineerde menswaardig moeten worden behandeld. Vaak schendt de mensonwaardige behandeling van een gedetineerde, bijvoorbeeld door hem te mishandelen of medische zorg te onthouden, ook artikel 7 IVBRP (het folterverbod). Overigens wordt de notie zelden gebruikt wanneer louter artikel 7 IVBPR van toepassing is.